ECLI:NL:CRVB:2020:390
Centrale Raad van Beroep · 19-02-2020 · zaaknummer 18/5407 WSF
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 4 maart 2016 heeft de minister de aan appellante toegekende studiefinanciering met ingang van 1 juni 2015 herzien, in die zin dat zij vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het aan appellante over de periode juni 2015 tot en met februari 2016 te veel betaalde bedrag van € 1.847,02 is daarbij van haar teruggevorderd. Bij besluit van 27 juni 2016 heeft de minister aan appellante een bestuurlijke boete opgelegd van € 923,51. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante ten tijde van de controle en daarvoor niet woonde op het brp-adres en zij derhalve in de hier aan de orde zijnde periode niet heeft voldaan aan de verplichting van artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000. Wat appellante heeft aangevoerd, bevat geen feiten of omstandigheden op grond waarvan tot het oordeel kan worden gekomen dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid of dat de boete om een andere reden voor haar te hoog zou zijn.
Rechters
Advocaten
- B. Wernik
- S.J. Sattler
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
