ECLI:NL:CRVB:2020:3436
Centrale Raad van Beroep · 11-12-2020 · zaaknummer 18/373 AOW
Inhoudsindicatie
De Raad sluit niet uit dat tussen appellant en de rechtbank onvoldoende helder is gesproken over de vraag of appellant met de mededeling over zijn ziekte ook een verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling wilde doen. Dit lijkt een kwestie van miscommunicatie. Dat de rechtbank welbewust over een verzoek om uitstel van appellant wegens ziekte is heengestapt, is niet aannemelijk. Geconcludeerd wordt dat appellant in de periode in geding daadwerkelijk (beroeps)werkzaamheden in Nederland heeft verricht. Onder de werking van Vo 1408/71 is doorslaggevend of appellant naast zijn werkzaamheden in Nederland ook gewoonlijk werkzaamheden in België verrichtte. Gebleken is dat appellant zijn werkzaamheden voor de in Nederland gevestigde bedrijven in de periode in geding gedeeltelijk in Nederland en gedeeltelijk vanuit huis in België heeft verricht. Deze werkzaamheden kunnen in Nederland noch in België als incidenteel worden aangemerkt. Dit betekent dat appellant op grond van artikel 14bis, aanhef en tweede lid, van Vo 1408/71 in de periode in geding uitsluitend aan de wetgeving van België onderworpen is geweest. Om die reden kan van verplichte verzekering voor de AOW geen sprake zijn. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak – met verbetering van de gronden – komt voor bevestiging in aanmerking.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
