ECLI:NL:CRVB:2020:3330
Centrale Raad van Beroep · 24-12-2020 · zaaknummer 19/2847 WW
Inhoudsindicatie
Aanvraag WW-uitkering terecht afgewezen. Geen sprake van een bijzonder geval als bedoeld in de tweede volzin van artikel 35 van de WW, waarin van het bepaalde in de eerste volzin kan worden afgeweken. Appellant heeft eerst op 7 februari 2018, ruim een jaar na het verkrijgen van een verblijfstitel, op een moment waarop de geldigheid daarvan uitgaande van het door hem overgelegde verblijfsdocument alweer was verstreken een aanvraag voor een WW-uitkering ingediend, waarbij hij kennelijk heeft beoogd vanaf 11 februari 2013 een WW-uitkering te verkrijgen. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien hoe wat appellant heeft aangevoerd zou kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van een bijzonder geval. Appellant heeft dus niet voldaan aan de in dezen op hem rustende bewijslast.
Rechters
Advocaten
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
