Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:CRVB:2020:3079

Centrale Raad van Beroep · 03-12-2020 · zaaknummer 20/768 AW

Bestuursrecht; AmbtenarenrechtGepubliceerd 08-12-2020
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Appellant heeft aangevoerd dat de onschuldschuldpresumptie meebrengt dat niet kan worden aangenomen dat hij zich aan het resterende plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt zolang de strafrechtelijke procedure niet (onherroepelijk) is afgerond. Volgens appellant kunnen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit alleen al daarom geen stand houden. De Raad volgt appellant hierin niet. Wel geldt dat in het kader van de bestuursrechtelijke procedure de uitgangspunten zoals omschreven in de genoemde uitspraken in acht moeten worden genomen. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat bij een strafontslag naast een strafrechtelijke veroordeling, anders dan appellant heeft betoogd, geen sprake is van een dubbele bestraffing. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de minister een onzorgvuldig onderzoek heeft verricht. Dit – in hoger beroep herhaalde – betoog slaagt niet. Van de omschreven gedragingen resteren de gedragingen waarvoor appellant strafrechtelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar. In wat appellant op dit punt heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanleiding gezien voor twijfel aan de weergave in het bestreden besluit van wat er tijdens dat gesprek in ieder geval is gezegd. Voor de Raad staat voldoende vast dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan de hem door de minister in dit verband verweten gedragingen. Daarnaast heeft de rechtbank bewezen geacht dat appellant zich in of omstreeks de periode van 1 juni 2011 tot en met 30 januari 2016 schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen tot een bedrag van ruim € 70.000,-. In het strafvonnis is uitgebreid becijferd en gemotiveerd op basis waarvan dat bedrag is bepaald. Voor de Raad staan ook deze gedragingen voldoende vast. Bovenstaande gedragingen leveren ernstig plichtsverzuim op. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat het plichtsverzuim niet aan appellant kan worden toegerekend. De minister was dus bevoegd appellant een disciplinaire straf op te leggen. Gezien de aard en de ernst van de gedragingen in relatie tot de functie van appellant en de terecht gestelde hoge eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid aan medewerkers van de [eenheid] , is de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig aan dit plichtsverzuim. Het hoger beroep slaagt niet.

Partijen

  • [appellant]

    appellant · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.