ECLI:NL:CRVB:2020:3075
Centrale Raad van Beroep · 02-12-2020 · zaaknummer 19/2833 AWBZ
Inhoudsindicatie
Niet in geschil is dat appellante haar zorgverlener [zorgverlener 1] niet giraal heeft betaald en dat zij zorgverlener [zorgverlener 2] in het geheel niet heeft betaald. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat appellante voor de jaren 2013 en 2014 niet heeft voldaan aan de verplichtingen verbonden aan het pgb zoals neergelegd in artikel 2.6.9 van de Rsa en dat het zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen dan de bij de verlening bepaalde bedragen alsmede om de hieruit voortvloeiende onverschuldigd betaalde voorschotten van appellante terug te vorderen. Zorgkantoor dient daarbij een belangenafweging te maken. Met het zorgkantoor is de Raad van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat betaling van een aanzienlijk bedrag contant heeft plaatsgevonden. Appellante heeft ook in hoger beroep niet voldoende aannemelijk of inzichtelijk gemaakt dat, en in welke omvang, AWBZ-zorg is verleend en betaald en het zorgkantoor heeft daarom tot de gemaakte belangenafweging kunnen komen. Tegen de terugvordering heeft appellante geen zelfstandige gronden gericht. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevochten, worden bevestigd.
Rechters
Advocaten
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
