ECLI:NL:CRVB:2020:2942
Centrale Raad van Beroep · 26-11-2020 · zaaknummer 19/3227 AOW
Inhoudsindicatie
In geding is de vraag of de Svb gehouden is terug te komen van het besluit van 11 juni 2014. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit in rechte vaststaat. Appellant heeft bij het verzoek van 9 augustus 2017 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd. Zijn stelling had appellant ook kunnen aanvoeren in een bezwaarprocedure tegen het besluit van 11 juni 2014. Voor zover appellant met deze stelling heeft beoogd aan te geven dat het besluit van 11 juni 2014 evident onredelijk is, wordt erop gewezen dat het vaste rechtspraak is van de Raad dat de Svb, ondanks het feit dat verzoeken tot regularisatie na 1 mei 2010 ingediend hadden moeten worden bij de staat van wie gevraagd wordt de wetgeving van toepassing te verklaren, bevoegd is een standpunt over deze regularisatie in te nemen. Namens appellant is nog gewezen op een aantal uitspraken in, volgens hem, vergelijkbare zaken. Deze uitspraken kunnen niet tot een ander oordeel leiden, omdat de feiten en omstandigheden niet vergelijkbaar zijn. Hieruit volgt dat de rechtbank het beroep terecht en op juiste gronden ongegrond heeft verklaard.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
