ECLI:NL:CRVB:2020:2940
Centrale Raad van Beroep · 26-11-2020 · zaaknummer 19/2667 AOW
Inhoudsindicatie
Appellant heeft bij het verzoek van 17 oktober 2017 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd. In zijn verzoek heeft appellant verwezen naar uitspraken van verschillende rechtbanken, die tot het oordeel waren gekomen dat de Svb, op grond van Europees rechtelijke regelgeving, niet bevoegd zou zijn een beslissing omtrent een verzoek tot regularisatie te nemen. Deze stelling had appellant ook kunnen aanvoeren in een bezwaarprocedure tegen het besluit van 22 mei 2015. Voor zover appellant met deze stelling heeft beoogd aan te geven dat het besluit van 22 mei 2015 evident onredelijk is, wordt erop gewezen dat het vaste rechtspraak is van de Raad dat de Svb, ondanks het feit dat verzoeken tot regularisatie na 1 mei 2010 ingediend hadden moeten worden bij de staat van wie gevraagd wordt de wetgeving van toepassing te verklaren, bevoegd is een standpunt over deze regularisatie in te nemen. Namens appellant is nog gewezen op een aantal uitspraken in, volgens hem, vergelijkbare zaken. Deze uitspraken kunnen niet tot een ander oordeel leiden, omdat de feiten en omstandigheden niet vergelijkbaar zijn. De rechtbank heeft het beroep terecht en op juiste gronden ongegrond verklaard.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
