ECLI:NL:CRVB:2020:263
Centrale Raad van Beroep · 06-02-2020 · zaaknummer 18/4828 AW
Inhoudsindicatie
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de straf van voorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan de aard en ernst van het plichtsverzuim. Evenals de minister en de rechtbank acht de Raad daarbij mede van belang dat appellante zich relatief kort voor het nu voorliggende plichtsverzuim al aan plichtsverzuim schuldig had gemaakt, namelijk in de periode maart-april 2015. In verband daarmee is aan appellante - na bezwaar - een schriftelijke berisping gegeven.
Rechters
Advocaten
- N.A. Sjoer
- S.J.W.M. Vonken
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
