ECLI:NL:CRVB:2020:2207
Centrale Raad van Beroep · 17-09-2020 · zaaknummer 16/7538 WIA
Inhoudsindicatie
Het nader besluit van 1 juli 2019 wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken. In wat appellante heeft gesteld wordt niet onderbouwd en ook uit de stukken blijkt niet dat zij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. In wat appellante heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het handhaven van de eerste boete evident onredelijk is. Het Uwv heeft het verzoek om herziening van het eerste boetebesluit terecht met verwijzing naar artikel 4:6, tweede lid, van de Awb afgewezen. Op basis van de vuistregeluitspraken dient de in de uitspraak van 24 november 2014 gemaakte knip tussen de periode vóór en na 1 januari 2013 niet toegepast te worden bij de vaststelling van de herziening van het boetebedrag. Met het Uwv wordt geoordeeld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat in haar geval de schending van de inlichtingenverplichting niet verwijtbaar is. Gelet op de vuistregeluitspraken en de aflossing door appellante, heeft het Uwv bij het nader besluit de boete terecht verlaagd tot € 5.605,24. Niet evident onredelijk. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellante.
Advocaten
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
