ECLI:NL:CRVB:2020:2008
Centrale Raad van Beroep · 26-08-2020 · zaaknummer 19/2739 WSF
Inhoudsindicatie
De Raad is van oordeel dat de minister met de verklaring van de bewoner aannemelijk heeft gemaakt, en ook heeft aangetoond, dat betrokkene ten tijde van het huisbezoek niet op het brp-adres woonde. De bewoner heeft tegenover de controleurs expliciet verklaard dat hij, samen met de hoofdbewoner, woont op het brp-adres en dat betrokkene ten tijde van het huisbezoek niet woont op het brp-adres. Wat betrokkene daar tegenover heeft gesteld, geeft geen reden tot twijfel aan de juistheid van de door de minister uit de bevindingen van de controleurs getrokken conclusie. Het gegeven dat de bewoner niet stond ingeschreven onder het brp-adres doet niet af aan de betrouwbaarheid van de door hem gegeven verklaring. Voor de stelling dat de bewoner na afloop van het huisbezoek aan betrokkene en de hoofdbewoner te kennen heeft gegeven dat hij tegenover de controleurs een onjuiste verklaring heeft afgelegd ontbreekt ieder bewijs. De overgelegde bankafschriften leveren geen (begin van) bewijs van bewoning op het brp-adres op. In het voorgaande ligt besloten dat een nader onderzoek in de woning, en het horen van de hoofdbewoner, uit een oogpunt van zorgvuldigheid niet was vereist. Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.
Rechters
Advocaten
- C. Paas
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
