ECLI:NL:CRVB:2020:1894
Centrale Raad van Beroep · 17-08-2020 · zaaknummer 18/3912 WIA
Inhoudsindicatie
De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat het Uwv dit verzoek met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb heeft afgewezen. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. Er wordt geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. De overwegingen die door de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag zijn gelegd worden onderschreven. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb ten grondslag heeft gelegd. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De redelijke termijn is met bijna twee maanden overschreden, wat leidt tot een schadevergoeding van € 500,-. Deze overschrijding heeft in de rechterlijke fase plaatsgevonden. Proceskostenveroordeling te betalen door de Staat.
Rechters
Advocaten
- W.A. Timmer
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
