ECLI:NL:CRVB:2020:1412
Centrale Raad van Beroep · 08-07-2020 · zaaknummer 18/3729 AWBZ
Inhoudsindicatie
Pgb 2014. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat op grond van de stukken niet kan worden vastgesteld in welke omvang appellant zorg van zijn zorgverleners ontving, of die zorg kan worden aangemerkt als AWBZ-zorg en of, en tot welk bedrag, daadwerkelijk is betaald voor die zorg. Ook heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat appellant in strijd met het systeem van artikel 2.6.9, eerste lid, van de Rsa zijn zorgverleners ten onrechte vooruit heeft betaald. Het zorgkantoor was dan ook op grond van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb bevoegd het pgb lager vast te stellen omdat appellant de aan het pgb verbonden verplichtingen niet is nagekomen. De rechtbank heeft in wat appellant heeft aangevoerd geen aanleiding gezien om te oordelen dat het zorgkantoor niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het op nihil vaststellen van het pgb gebruik heeft mogen maken. De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid en verwijst daar naar. Ook in hoger beroep heeft appellant niet voldoende aannemelijk en inzichtelijk gemaakt dat het pgb is besteed aan AWBZ-zorg, ook niet over het eerste halfjaar van 2014.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
