ECLI:NL:CRVB:2020:1016
Centrale Raad van Beroep · 16-04-2020 · zaaknummer 19/277 AW
Inhoudsindicatie
Appellante was voorafgaand aan 1 april 2015, namelijk vanaf 17 februari 2014, al volledig arbeidsongeschikt vanwege psychische klachten en de arbeidsongeschiktheid vanuit deze ziekteoorzaak heeft voortgeduurd tot, voor zover hier van belang, de ontslagdatum 1 september 2017. Met het college is de Raad van oordeel dat waar de tekst van artikel 90bis van het AR geen uitsluitsel geeft over de situatie dat een medewerker voorafgaande aan en tijdens ziekte vanwege zwangerschap tevens volledig ongeschikt is voor eigen en passende arbeid uit een andere ziekteoorzaak, een redelijke wetstoepassing in dit geval meebrengt dat de periode van 1 april 2015 tot 9 juni 2015 wordt meegerekend voor de 36-maandenperiode. Steun voor dit oordeel in de toelichting op het geheel gelijkluidende artikel 8:5 van de CAR-UWO. De Raad is van oordeel dat het college bij gebruikmaking van zijn ontslagbevoegdheid in redelijkheid mocht afgaan op de adviezen van de bedrijfsarts. De adviezen van de bedrijfsarts zijn inzichtelijk, begrijpelijk en consistent.
Advocaten
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
