ECLI:NL:CRVB:2019:4213
Centrale Raad van Beroep · 17-12-2019 · zaaknummer 18/2207 PW
Inhoudsindicatie
Toepassen kostendelersnorm. Hoofdverblijf. Duur van het verblijf. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant vanaf 17 april 2017 zijn hoofdverblijf had op adres 2. Daartoe wordt als volgt overwogen. In een gesprek met de consulent op 24 april 2017 heeft appellant verklaard dat hij uit de woning op adres 1 is gezet en dat hij vanaf 17 april 2017 logeert bij A op adres 2. Appellant heeft te kennen gegeven dat hij zich niet mag inschrijven op adres 2. Om die reden heeft appellant op 24 april 2017 bij de gemeente een briefadres aangevraagd. Hieruit volgt dat de oude woonsituatie was beëindigd. Tijdens het gesprek is voorts niet gebleken van concreet zicht op andere huisvesting. Het betoog van appellant dat het college nader onderzoek had moeten doen, slaagt niet. Appellant had immers ook geen ander verblijfadres opgegeven dan adres 2. Onder de gegeven omstandigheden mocht het college ervan uitgaan dat appellant vanaf 17 april 2017 zijn hoofdverblijf had op adres 2, zodat het bestreden besluit berust op een juiste feitelijke grondslag. De stelling van appellant dat hij pas op 1 mei 2017 de sleutel van de woning op adres 1 heeft overhandigd aan de verhuurder, leidt niet tot een ander oordeel omdat de feitelijke woonsituatie bepalend is.
Rechters
Advocaten
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
