ECLI:NL:CRVB:2019:2728
Centrale Raad van Beroep · 15-08-2019 · zaaknummer 17/5381 AW
Inhoudsindicatie
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat ten tijde van het ontslagbesluit sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat voortzetting van het dienstverband in redelijkheid niet meer van de minister kan worden verlangd. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld, dat de minister bevoegd was appellante een ontslag op andere gronden te verlenen. De Raad volgt de minister in zijn standpunt dat hij geen overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en laten voortbestaan van de impasse. Het is de ongepaste houding en gedrag van appellante geweest die in hoofdzaak heeft geleid tot het ontstaan en voortduren van de impasse. De minister was dan ook niet gehouden een vergoeding te betalen. Wat de schorsing betreft is de Raad van oordeel dat het belang van de minister zwaarder woog dan het belang van appellante bij hervatting van haar werk.
Advocaten
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
