ECLI:NL:CRVB:2019:2702
Centrale Raad van Beroep · 01-08-2019 · zaaknummer 18/6428 WW
Inhoudsindicatie
Met het Uwv wordt geoordeeld dat de billijke vergoeding niet voor overneming in aanmerking komt, omdat zij niet kan worden toegerekend aan de a-periode. De door de kantonrechter toegekende billijke vergoeding moet door de werkgever aan appellante worden betaald op grond van de beschikking van de kantonrechter. De vordering is eerst met de beschikking van de kantonrechter ontstaan. Anders dan appellante heeft betoogd, is deze vordering, gelet op het dictum van de beschikking, (eerst) drie dagen na de datum van de beschikking, dus vanaf 15 mei 2017, opeisbaar en was dat voor de ontbindingsdatum nog niet het geval. Hierbij wordt aangesloten bij de uitspraak van de Raad van 22 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1874, r.o. 4.2, en de uitspraak van de Raad van 18 januari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV3578, r.o. 5.3.1, die betrekking hebben op respectievelijk een schadevergoeding uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag en een ontbindingsvergoeding. Deze vergoedingen hebben met de billijke vergoeding, die in deze zaak aan de orde is, gemeen dat zij betrekking hebben op het einde van het dienstverband en de periode die daarop volgt. Dat de hoogte van de betreffende vergoedingen mede wordt bepaald door wat in de periode voorafgaand aan het einde van het dienstverband is voorgevallen, maakt dat niet anders.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
