ECLI:NL:CRVB:2017:3248
Centrale Raad van Beroep · 15-09-2017 · zaaknummer 15/4425 AOW
Inhoudsindicatie
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de lijfrente-uitkering van de RZVK van de partner van appellant op juiste wijze op de toeslag in mindering is gebracht. Uit de gedingstukken blijkt dat de Duitse Altersrente en het Belgische rustpensioen van de partner van appellant (beide gelijksoortige uitkeringen in de zin van Vo 883/2004) niet op de toeslag in mindering zijn gebracht. De Svb heeft in de nader gegeven toelichting uiteengezet en ook voorgerekend, dat de lijfrente-uitkering van de RZVK (geen gelijksoortige uitkering in de zin van Vo 883/2004) slechts gedeeltelijk op de toeslag in mindering is gebracht. De Svb heeft eerst dit Duitse inkomen van de volledige, maximale, toeslag afgetrokken. Op het aldus resterende bedrag is een korting van 42% toegepast in verband met niet verzekerde tijdvakken van de partner van appellant. Dit heeft tot gevolg dat het Duitse inkomen van de partner van appellant naar rato van haar verzekeringsjaren in Nederland in mindering is gebracht. Hiermee is voldaan aan de voorwaarden waaronder op grond van artikel 54, tweede lid, van Vo 883/2004, in samenhang met artikel 55, tweede lid, van Vo 883/2004 een pro rata berekening van de toeslag achterwege mag blijven. Dit betekent dat ingevolge artikel 52 van Vo 883/2004 de toeslag op het AOW-pensioen niet pro-rata wordt berekend, maar naar nationaal recht.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
