ECLI:NL:CRVB:2017:2843
Centrale Raad van Beroep · 18-08-2017 · zaaknummer 16/6968 WUV
Inhoudsindicatie
Appellant is ondergedoken geweest om zich te onttrekken aan verplichte tewerkstelling en om te voorkomen dat hij als pressiemiddel zou worden gebruikt tegen zijn vader, die door de Duitsers werd gezocht. Appellant heeft niet gesteld en er is ook niet gebleken dat hij vanwege zijn gestelde onderduik door de bezetter van zijn vrijheid beroofd is geweest. Dat betekent dat gelet op de onder 2.2 genoemde bepaling moet worden geoordeeld dat appellant geen vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wuv. Net als verweerder ziet de Raad in de hiervoor genoemde omstandigheden geen mogelijkheid de anti-hardheidsbepaling van artikel 3, tweede lid, van de Wuv toe te passen en appellant met de vervolgde gelijk te stellen.
Rechters
Advocaten
- I. Pieterse
- J.J. Brosius
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
