ECLI:NL:CRVB:2017:2195
Centrale Raad van Beroep · 21-06-2017 · zaaknummer 16/2230 WMO
Inhoudsindicatie
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de adviezen van de MO-zaak op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. De artsen van de MO-zaak hebben alle door appellante overgelegde medische informatie in hun adviezen betrokken en zijn op grond hiervan tot de conclusie gekomen dat appellante adequaat kan reizen met de toegekende vorm van collectief vervoer en dat geen medische noodzaak voor een bruikleenauto bestaat. Uit wat appellante heeft aangevoerd volgt niet dat in de adviezen geen juist beeld wordt gegeven van haar gezondheidssituatie en dat zij als gevolg van haar lichamelijke en psychiatrische klachten destijds geen gebruik kon maken van het collectief vervoer en is aangewezen op een bruikleenauto. Hierbij is ook van belang, met name in het kader van appellantes lichamelijke klachten, dat de vorm van collectief vervoer die aan haar is toegekend ondersteuning omvat bij het bereiken van het voertuig en op het bestemmingsadres en bij het in- en uitstappen. Naar het oordeel van de Raad voorzag de toegekende vorm van collectief vervoer in de toenmalige vervoersbehoefte van appellante en heeft het college hiermee aan de op hem rustende compensatieplicht voldaan.
Advocaten
- J.M. Niemer
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
