ECLI:NL:CRVB:2016:558
Centrale Raad van Beroep · 19-02-2016 · zaaknummer 13/1250 WWAJ
Inhoudsindicatie
Afwijzing laattijdige aanvraag Wet Wajong-uitkering. Appellant is tijdens zijn studie niet arbeidsongeschikt geworden, zodat hij geen aanspraken kan ontlenen aan artikel 6, eerste lid, onder a, van de AAW, in samenhang met artikel 2 van het KB van 28 april 1980. Nu appellant met de geselecteerde functies in staat was om ten minste het minimumloon te verdienen, waaruit volgt dat hij geschikt was voor de maatmanarbeid, voldoet hij ook niet aan de voorwaarde in artikel 32a, eerste lid, onder b, van de AAW, dat hij aan het einde van de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Reeds daarom kan hij ook aan die bepaling geen aanspraken ontlenen (zie de uitspraak van de Raad van 18 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK3730, waar de toepassing van het met artikel 32a, eerste lid, onder b, van de AAW overeenkomende artikel 19, eerste lid, onder b, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten aan de orde was).
Rechters
Advocaten
- D.H. Andries
- R.S.S. IJff
- V.A.R. Kali
- Y.J.K. Meulemans
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
