ECLI:NL:CRVB:2016:4944
Centrale Raad van Beroep · 22-12-2016 · zaaknummer 16/2334 AW
Inhoudsindicatie
De Raad is met appellante, en anders dan de directeur DMO, van oordeel dat uit de e-mail van 9 december 2014 noch uit het niet maken van bezwaar tegen het besluit van 24 december 2014 volgt dat appellante niet langer aanspraak wenste te maken op plaatsing in een functie als [naam functie] bij één van de onderdelen van het Ministerie van Defensie. In dit verband kan er ook op worden gewezen dat appellante enkele weken voor haar e-mail hoger beroep had ingesteld, welk hoger beroep tot de onder 1.5 genoemde uitspraak van de Raad van 1 oktober 2015 heeft geleid. Kernpunt van dat hoger beroep was de door appellante gestelde baangarantie en de wens om haar werkzaamheden als [naam functie] ook na 1 januari 2014 voort te zetten. De stelling van de directeur DMO dat appellante niet langer een processueel belang heeft bij de beoordeling van haar bezwaar tegen het besluit van 4 december 2013, treft dan ook geen doel. Het bezwaar is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Opdracht tot het nemen van nieuw besluit. Proceskostenveroordeling.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
