ECLI:NL:CRVB:2015:948
Centrale Raad van Beroep · 19-03-2015 · zaaknummer 13-4235 AW
Inhoudsindicatie
Het hoger beroep richt zich met name op bestreden besluit 3. Volgens appellant is immateriële schade ontstaan, bestaande uit psychische schade en reputatieschade, door de wijze waarop met het rapport B en (achteraf) met hem is omgegaan. Het bestuursorgaan heeft tegenover de ambtenaar een zorgplicht (CRvB 22 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072). Het door appellant geschetste beeld van de wijze waarop B jegens hem te werk is gegaan kan als onthutsend worden getypeerd. In de onderhavige procedure is dit beeld alleen maar bevestigd. Het college is in zijn zorgplicht jegens appellant tekortgeschoten. Niet is gebleken van een als aantasting van appellants persoon aan te merken geestelijk letsel waaraan hij aanspraak op vergoeding van immateriële schade kan ontlenen. Echter wel aannemelijk dat de in het rapport gebezigde subjectieve kwalificaties en het bekend worden daarvan binnen en buiten de organisatie de reputatie van appellant heeft geschaad, bestaande uit de aantasting van zijn goede naam zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Appellant heeft op de voet van dat artikel recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van deze schade.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
