ECLI:NL:CRVB:2014:4347
Centrale Raad van Beroep · 23-12-2014 · zaaknummer CRvB 13-4169 WWB
Inhoudsindicatie
Niet in geschil is dat appellante in de te beoordelen periode rechtmatig verblijf had als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw. In de te beoordelen periode verbleef appellante niet in Nederland binnen een periode van drie maanden na binnenkomst. Van een langere periode als onder 4.3.2 bedoeld was geen sprake, nu appellante noch Nederland was binnengekomen om werk te zoeken, noch in de te beoordelen periode nog steeds bezig was werk te zoeken en een reële kans maakte te worden aangesteld. Uit de onder 1.6 genoemde beschikking van de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel volgt dat appellante vanaf 12 april 2002 meerdere aanvragen om verblijfsvergunningen heeft ingediend, laatstelijk op 3 juni 2011. Hieruit volgt dat appellante in de te beoordelen periode hetzij reeds van rechtswege verblijfsrecht had als langdurig ingezetene, dan wel nog wachtende was op een beslissing op haar aanvraag om een verblijfsvergunning. De omstandigheid dat appellante in het GBA was geregistreerd als werkzoekende EU-onderdaan doet daaraan niet af. Hieruit volgt dat appellante het bepaalde in artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn niet kan worden tegengeworpen en dat zij dus in te beoordelen periode met een Nederlander gelijk moet worden gesteld, zodat appellanten ook over die periode recht hebben op bijstand naar de norm voor gehuwden.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
