ECLI:NL:CRVB:2014:2351
Centrale Raad van Beroep · 11-06-2014 · zaaknummer 12-5394 WMO
Inhoudsindicatie
Beëindiging vervoersvoorziening in de vorm van een bruikleenauto. Het primaat ligt bij het collectief aanvullend vervoer. Hoewel het college de in de Awb gegeven indieningstermijn van nadere stukken niet in acht heeft genomen, is voor het buiten beschouwing laten van het verweerschrift wegens strijd met de aan artikel 8:58 van de Awb ten grondslag liggende beginselen van een goede procesorde in dit geval geen aanleiding. De omstandigheid dat appellante destijds onder de Wvg wel in aanmerking kwam voor een bruikleen auto en daarvan sinds 1996, ook na 2007, gebruik heeft gemaakt, betekent niet dat het college niet bevoegd was om de voorziening alsnog met toepassing van de inmiddels geldende wet- en regelgeving te beëindigen. Het bestreden besluit is niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De voorziening is enkel voor de toekomst en niet met terugwerkende kracht beëindigd. Niet aannemelijk is gemaakt dat appellante niet in staat is om zich, met begeleiding, met de taxibus van het collectief aanvullend vervoer te laten vervoeren en dat daarmee niet adequaat in haar vervoerbehoefte kan worden voorzien.
Advocaten
- S.B. Epozdemir
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
