Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7993

Centrale Raad van Beroep · 19-04-2013 · zaaknummer 12-2067 WIA

Bestuursrecht; Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtGepubliceerd 22-06-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Appellant is uitgevallen met zeer ernstige visusklachten. Appellant heeft een WGA-uitkering ontvangen. Na omscholing is hij bij zijn werkgever gere-integreerd. Het inkomen dat appellant hiermee verdiende bedroeg aanzienlijk meer dan het inkomen dat hij voorheen verdiende. Appellant is wederom uitgevallen. Het Uwv heeft appellant meegedeeld dat hij geen recht heeft op een WGA-uitkering, maar wel op een IVA-uitkering. Deze uitkering is vastgesteld op 75% van het geïndexeerde, eerder vastgestelde WIA-maandloon. Appellant is van mening dat de IVA-uitkering gebaseerd dient te worden op het loon dat hij verdiende in zijn laatste functie en dient als referteperiode voor de vaststelling van het dagloon te worden uitgegaan van de periode van een jaar direct voorafgaand aan zijn definitieve uitval. Raad: Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 20 april 2012, LJN: BW4709) is van belang dat op grond van art. 43, aanhef en onder a, ten eerste, van de Wet WIA het recht hebben op een WGA- of IVA-uitkering een uitsluitingsgrond is. In het oorspronkelijke wetsvoorstel van de Wet WIA was een art. 5.2 opgenomen op grond waarvan de betreffende uitsluitingsgrond niet van toepassing was onder meer in de situatie dat een gedeeltelijk arbeidsgeschikte die naast zijn WGA-uitkering werkt, ziek wordt. Bij de derde Nota van wijziging bij het wetsvoorstel Wet WIA (Kamerstukken II, 2004-2005, 30 034, nr. 21, blz. 2 en 4) is het voorgestelde art. 5.2 vervallen. In plaats daarvan is een garantie in de vervolguitkering van de WGA geïntroduceerd. Op grond van deze, in art. 62, lid 3, aanhef en onder b, van de Wet WIA opgenomen, garantie wordt de WGA-vervolguitkering verhoogd als de LGU van het (niet ontstane) tweede recht hoger zou zijn geweest dan de WGA-vervolguitkering van het bestaande recht. De thans te beoordelen situatie is uitzonderlijk. Het komt zelden voor dat een WGA-gerechtigde in staat is een functie te verwerven waarin hij veel meer verdient dan het salaris waarin hij oorspronkelijk is uitgevallen. Hoewel de wetgever deze specifieke situatie niet voor ogen heeft gehad, moet worden vastgesteld dat de wetgever een welbewuste keuze heeft gemaakt om geen twee uitkeringsrechten op grond van de Wet WIA naast elkaar te laten ontstaan. De uitleg die de Rb. aan art. 13, lid 1 van de Wet WIA heeft gegeven, kan derhalve niet worden onderschreven. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting wordt nog het volgende opgemerkt. Appellant kan aan de garantieregeling van art. 62, lid 3, aanhef en onder b, van de Wet WIA geen rechten ontlenen omdat hij op 6 oktober 2008 nog recht had op een LGU en niet op een WGA-vervolguitkering. Verder ontbreekt in de WIA - tot nu toe - een met art. 40 WAO vergelijkbaar artikel en ook in het Besluit dagloonregels werknemersverzekering is geen bepaling te vinden die tot een hernieuwde dagloonvaststelling per 8 oktober 2008 zou kunnen leiden. Ten slotte staat art. 11 van de Wet Algemene Bepalingen in de weg van een beoordeling door de rechter van de innerlijke waarde of billijkheid van de wet. Derhalve is de Raad van oordeel dat het Uwv bij de vaststelling van de hoogte van de IVA-uitkering de juiste referteperiode in aanmerking heeft genomen en dat dat terecht heeft geleid tot vaststelling van een per 8 oktober 2008 geldend dagloon van € 64,80. Aangevallen uitspraak bevestigd.

Advocaten

  • H. Pasman

Partijen

  • [appellant]

    appellant · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.