ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6925
Centrale Raad van Beroep · 29-03-2013 · zaaknummer 11/1237 WIA
Inhoudsindicatie
Appellant is op 16 november 2004 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als tuinbouwmedewerker met onder meer psychische klachten. Na medisch en arbeidsdeskundig onderzoek is appellant geschikt bevonden voor dit werk. Het Uwv heeft de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet WIA afgewezen. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Op 14 september 2009 heeft appellant zich, vanuit een situatie dat hij uitkering ingevolge de WW ontving, ziek gemeld met toegenomen gezondheidsklachten. Het Uwv heeft geweigerd appellant met ingang van 23 september 2009 in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering, omdat de arbeidsongeschiktheid niet is toegenomen ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling. Beslissend op het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv zijn opvatting gehandhaafd dat appellant ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling niet meer beperkingen uit dezelfde ziekte-oorzaak had. Raad: Het standpunt van het Uwv is juist: in een geval als het onderhavige, waarin een eerder verzoek van appellant om in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering krachtens de Wet WIA is geweigerd omdat hij in aansluiting op de reguliere wettelijke wachttijd, met ingang van 14 november 2006, in staat werd geacht tot het verrichten van de eigen werkzaamheden, staat de tekst van art. 55, lid 1, onder b, van de Wet WIA niet aan een latere toekenning van uitkering met toepassing van die bepalingen in de weg. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in art. 55, lid 1, onder b, van de Wet WIA, anders dan in art. 43a, lid 1, onder b, van de WAO, niet als voorwaarde is opgenomen dat het moet gaan om een persoon die aan het einde van de reguliere wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid maar geen recht op toekenning van uitkering had omdat hij niet arbeidsongeschikt was. Naar de bewoordingen ervan ziet art. 55, lid 1, onder b, van de Wet WIA op degene voor wie op de dag, bedoeld in art. 54, lid 2, geen recht op een WGA-uitkering is ontstaan omdat hij niet gedeeltelijk arbeidsongeschikt was, die nadien - binnen de in het derde lid van art. 55 van de Wet WIA bedoelde termijn - alsnog gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt en die gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Anders dan in art. 43a, lid 1, onder b, van de WAO wordt niet als voorwaarde gesteld dat bij de eerdere weigering van uitkering sprake moet zijn geweest van ongeschiktheid voor het eigen werk op de eerste dag na afloop van de wachttijd. Bij het licht van deze op zich niet voor tweeërlei uitleg vatbare wettekst, wordt in de omstandigheid dat de wetgever blijkens de MvT (TK 2004/2005, 30 034, nr. 3) met de in art. 55 van de Wet WIA opgenomen regeling heeft beoogd het huidige beleid (art. 43a van de WAO) voort te zetten, onvoldoende ruimte gezien voor een andersluidende uitleg. (…) De Rb. heeft met juistheid geoordeeld dat de arbeidsongeschiktheid van appellant per september 2009 niet was toegenomen ten opzichte van de WIA-beoordeling in 2007.
Advocaten
- C. van Woerden
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
