Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3268

Centrale Raad van Beroep · 05-03-2013 · zaaknummer 11-6782 WWB

Bestuursrecht; Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtGepubliceerd 08-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Toeslagenverordening Amsterdam. Geen hogere toeslag voor woningdeler wegens ontbreken van commerciële relatie tussen ouder en kind. Motiveringsgebrek. Raad: Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (CRvB 29 mei 2007, LJN: BA7747 en 21 april 2009, LJN: BI2612) heeft de wetgever met art. 8, lid 1, onderdeel c van de WWB in verbinding met art. 30, lid 1 van de WWB uitdrukkelijk aan de gemeenteraad de opdracht gegeven om bij verordening de criteria ter zake van de verhoging of de verlaging vast te stellen. Voorts blijkt uit de wetsgeschiedenis van art. 30, lid 1 van de WWB dat de verordening een zodanig karakter dient te hebben, dat een belanghebbende daaruit concreet kan afleiden welke verhoging of verlaging in zijn geval geldt (TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, blz. 55). In de vorengenoemde uitspraken heeft de Raad art. 3, lid 7 van de Verordening, zoals dat gold voor 1 oktober 2009 onverbindend geoordeeld. In die bepaling was de vaststelling van hoogte van het voor het recht van gebruik van een deel van de woning verschuldigde vergoeding overgelaten aan het college, zodat niet rechtstreeks uit de verordening de criteria voor verlening van de toeslag konden worden afgeleid. Art. 3, lid 7 van de Verordening, zoals geldend sinds 1 oktober 2009 en door de gemeenteraad, gelet op de onder 4.3.4 weergegeven toelichting, gewijzigd om te voldoen aan eisen gesteld in de hiervoor genoemde uitspraken, moet zo worden uitgelegd dat in afwijking van art. 3, lid 4 van de Verordening een belanghebbende alleenstaande woningdeler recht heeft op een toeslag van 20 procent van het minimumloon indien hij voor het recht van gebruik van een deel van de woning rechtens een vergoeding verschuldigd is van minimaal € 150,-- per maand. Het bestreden besluit berust op de grondslag dat appellant in de te beoordelen periode niet voldoet aan het criterium van art. 3, lid 7 van de Verordening, omdat de relatie met de medebewoner, zijn moeder, geen commerciële is. Daarmee ontbeert het bestreden besluit, zoals appellant heeft betoogd, een toereikende motivering, aangezien het ontbreken van een dergelijke relatie, wat daar van zij, niet uitsluit dat een kind op grond van een overeenkomst rechtens gehouden is een vergoeding voor het recht van medegebruik van een woning aan een ouder te betalen. Aangevallen uitspraak vernietigd. De Raad voorziet zelf in de zaak.

Advocaten

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.