ECLI:NL:CRVB:2012:BY2305
Centrale Raad van Beroep · 10-12-2012 · zaaknummer 10-5767 AW
Inhoudsindicatie
Naar aanleiding van de meldingen van appellante over de vermoedens van misstanden binnen de toenmalige Bouwdienst heeft de Commissie integriteit overheid (CIO) op 19 maart 2008 rapport uitgebracht. De CIO heeft daarin onder meer vastgesteld dat het (her)plaatsingsproces van appellante niet op correcte wijze heeft plaatsgevonden, dat niet altijd een overtuigende argumentatie is gegeven voor de afwijzingen van appellantes sollicitaties en dat niet enkel objectief is gekeken naar opleiding en ervaring van appellante. Er heeft volgens de CIO een vermenging plaatsgevonden tussen de integriteitsmeldingen van appellante en het rechtspositionele traject. De CIO heeft aan de minister het advies gegeven om op korte termijn met appellante in overleg te treden over ofwel een passende functie binnen het ministerie ofwel een passende afvloeiingsregeling. De minister heeft het advies van de CIO overgenomen. Bij brief van 25 februari 2010 heeft appellante de minister verzocht haar ontslag te aanvaarden en een afvloeiingsregeling te treffen. Bij brief van 19 maart 2012 heeft zij de minister opnieuw het verzoek gedaan haar ontslag te verlenen. Bij besluit van 29 maart 2010 (ontslagbesluit) heeft de minister appellante per 1 april 2010 ontslag verleend primair op haar verzoek en subsidiair op grond van art. 99 van het ARAR. Bij besluit van eveneens 29 maart 2010 (schadeloosstellingsbesluit) heeft de minister aan appellante een schadevergoeding toegekend. De Rb. heeft de beroepen tegen de reorganisatiebeslissingen niet-ontvankelijk verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de Rb. de beroepen tegen de besluiten van 29 maart 2010 ongegrond verklaard. Raad: Appellante heeft betoogd dat de Rb. ten onrechte heeft geoordeeld dat er voor de minister een grondslag was voor een ontslag op verzoek. De Raad is van oordeel dat appellantes ontslagverzoek is te herleiden tot een in vrijheid genomen beslissing(CRvB 5 april 2001, LJN: AK6732, TAR 2001, 88 en CRvB 24 juli 2008, LJN: BD9294, TAR 2009, 34). (…) Dat de minister ongeoorloofde druk op appellante heeft uitgeoefend om haar ontslagverzoek in te dienen is dan ook niet gebleken. Appellante heeft voldoende tijd gehad om over haar verzoek na te denken en om eventueel juridisch advies over de consequenties van haar verzoek in te winnen. Het ontslagbesluit van 29 maart 2010 houdt dan ook in rechte stand. Naar het oordeel van de Raad is appellante met de afvloeiingsregeling in het ontslagbesluit en het schadeloosstellingsbesluit voldoende financieel gecompenseerd voor de gevolgen van de door de CIO geconstateerde onvolkomenheden in de besluitvorming ten aanzien van de plaatsing van appellante in de door haar geambieerde schaal 14-functies in het kader van de reorganisatie. Tenslotte is de Raad van oordeel dat de redelijke termijn a.b.i. art. 6 lid 1 EVRM met anderhalf jaar is overschreden. Derhalve dient de Minister een schadevergoeding te betalen aan appellante tot een bedrag van €1.500.-.
Advocaten
- E.R. van Dinther
- S. van Heukelom-Verhage
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
