ECLI:NL:CRVB:2012:BY0458
Centrale Raad van Beroep · 17-10-2012 · zaaknummer 11-5045 ZVW
Inhoudsindicatie
Ingevolge de - met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden - Zorgverzekeringswet (Zvw) is appellant door Cvz als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft hij op grond van verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) recht op zorg in het woonland, ten laste van Nederland (het pensioenland). Voor dit recht op zorg is een bijdrage verschuldigd die wordt ingehouden op het Nederlandse pensioen (buitenlandbijdrage). De hoogte van de bijdrage is gerelateerd aan de gemiddelde zorgkosten in het woonland gedeeld door de gemiddelde uitgaven voor zorg per verzekerde in Nederland (de woonlandfactor). Appellant heeft zich met een E-121 formulier ingeschreven bij het bevoegde orgaan van zijn woonplaats. Door dit orgaan is bevestigd dat hij in woonland is ingeschreven en dat de kosten van medische zorg ten laste van Nederland komen. Cvz heeft aan appellant medegedeeld dat hij recht heeft op medische zorg in woonland ten laste van Nederland en dat hij daarvoor een bijdrage is verschuldigd. De Raad verwerpt het standpunt van appellant dat op zijn pensioen AWBZ-premie wordt ingehouden, waar geen recht op AWBZ-zorg tegenover staat. De Raad is van oordeel dat de op zijn pensioen in mindering gebrachte inhouding ten titel van “inkomensafhankelijke AWBZ-bijdrage” geen AWBZ-premie is, aangezien voor het heffen van een dergelijke premie in zijn situatie geen wettelijke grondslag bestaat, maar de in artikel 69 van de Zvw bedoelde buitenlandbijdrage die hij verschuldigd is voor de ten laste van Nederland komende kosten van de medische zorg waarop hij overeenkomstig Vo 1408/71 en het recht van woonland recht heeft in zijn woonland. De Raad overweegt daartoe dat in artikel 6.3.1, tweede lid, van de Regeling zorgverzekering (de Regeling) onder meer is bepaald dat de inkomensafhankelijke bijdrage, een van de componenten van de buitenlandbijdrage, wordt berekend overeenkomstig de premie voor de AWBZ. Verder volgt ook uitdrukkelijk uit de toelichting op de Regeling (Stcrt. 19 december 2006, nr. 247, p.3) dat dit deel van de bijdrage een pseudo-AWBZ-premie betreft en niet op één lijn kan worden gesteld met de AWBZ-premie. Dit betekent dat de inhouding op het pensioen van appellant ook niet op één lijn kan worden gesteld met premie AWBZ. Voorts stelt de Raad vast dat appellant in woonland recht heeft op zorg overeenkomstig het woonlandpakket, waarbij de dekking (en hiermee aldus het soort zorg) wordt bepaald op basis van de Vo 1408/71. Met de woonlandfactor wordt vervolgens tot uitdrukking gebracht in welke mate de in dit woonlandpakket opgenomen zorg zich verhoudt tot de in het Nederlandse pakket (Zvw en AWBZ) opgenomen zorg. Door toepassing van de woonlandfactor draagt appellant niet bij voor (AWBZ-)zorg die niet behoort tot het woonland pakket van sociale verzekering. De Raad heeft eerder in zijn uitspraak van 26 augustus 2009 (LJN BJ6362) overwogen dat bij de toepassing van de woonlandfactor geen sprake is van een overduidelijke onevenredigheid bij de ongelijke behandeling van bijdrageplichtigen, zoals appellant, en in Nederland woonachtige premieplichtigen. De Raad heeft in deze uitspraak voorts geoordeeld dat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel en evenmin met het verbod van willekeur.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
