ECLI:NL:CRVB:2012:BX6200
Centrale Raad van Beroep · 29-08-2012 · zaaknummer 11-3004 ZW
Inhoudsindicatie
In geschil is of er tussen Tolk- en Vertaalcentrum Nederland (TVcN) en betrokkene sprake is van een gezagsverhouding. Raad: Met betrekking tot de stelling dat er tussen betrokkene en TVcN wel sprake is van een gezagsverhouding merkt de Raad allereerst op dat art. 7: 610a BW slechts een bewijsvermoeden bevat. Dat betekent dat ook indien het arbeidspatroon van iemand voldoet aan (een van) de voorwaarden van dit artikel de rechter niet verplicht is tot het aannemen van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in art. 7: 610 BW, tenminste indien de overige feiten en gegevens, dan wel hetgeen partijen hebben aangevoerd, ( duidelijk) in een andere richting wijzen. De Rb. is er dan ook met recht van uit gegaan dat eerst bezien moet worden of art. 7: 610 van toepassing is en dat alleen bij twijfel daarover art. 7: 610a van het BW aan de orde kan komen. De Raad kan het oordeel van de Rb. dat in dit geval geen sprake is van een gezagsverhouding op grond van, onder meer, de onder 2.2 weergegeven gegevens, onderschrijven. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat betrokkene geheel vrij was om ook voor derden te werken, dat zij krachtens art. 8 van de overeenkomst tot inschrijving in het tolkenregister ook na aanvaarding van een opdracht zich daarvoor nog kon afmelden en dat de tolk in de overeenkomst wordt aangemerkt als ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting. Weliswaar vermeldt art. 10 van de overeenkomst dat de tolk desgevraagd ten opzichte van het TVcN verantwoording schuldig is ten aanzien van de wijze waarop hij de tolkdienst heeft verricht, maar zowel het TVcN als betrokkene hebben gesteld dat, als dit al voorkwam, het slechts geschiedde bij een klacht van derden. Dat betrokkene geacht werd volgens het Handboek voor tolken van het TVcN te werken maakt dit niet anders. Zoals de Raad eerder in de uitspraak van 21 februari 2008, LJN:BC6040, heeft aangegeven is het werken volgens een dergelijk handboek eerder te zien als een middel tot bewaking van de kwaliteit van de geleverde diensten, dan als een weergave van werkgeversgezag. Overigens kan er, zoals ook in deze uitspraak is gesteld, ook bij een overeenkomst van opdracht sprake zijn van voorwaarden en aanwijzingen. Het geheel van feiten en omstandigheden als hiervoor vermeld leidt tot de conclusie dat tussen betrokkene en TVcN geen sprake is van een overeenkomst als bedoeld in art. 7: 610 van het BW, zodat er ook geen sprake is van een recht op loon tijdens ziekte op grond van art. 7: 629 van die wet. De bemiddeling van het TVcN kan slechts gezien worden als gericht op het ontstaan van overeenkomsten van opdracht en niet als leidend tot het ontstaan van arbeidsovereenkomsten als bedoeld in art. 7: 610 van het BW. Aangevallen uitspraak bevestigd.
Rechters
Advocaten
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
