ECLI:NL:CRVB:2012:BW7553
Centrale Raad van Beroep · 11-05-2012 · zaaknummer 10-6390 WSF
Inhoudsindicatie
Appellant, met Ghanese nationaliteit en geboren in 1980, verblijft zonder geldige verblijfsvergunning in Nederland. Hij volgt hoger onderwijs. Appellants aanvraag om studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 aangevraagd is afgewezen. Daartoe is overwogen dat appellant niet voldoet aan het in art. 2.2 van de Wsf 2000 neergelegde nationaliteitsvereiste, en evenmin aan de voorwaarden die gelden ingevolge de in art. 3 van het Bsf 2000 neergelegde gelijkstellingsregeling. Raad: De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om het niet toekennen van studiefinanciering aan appellant, gegeven het niet legale karakter van zijn verblijf in Nederland, in strijd te achten met het door art. 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM gegarandeerde recht op onderwijs. Er is geen grond om aan te nemen dat er ingevolge art. 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM op de Minister een positieve verplichting rust om aan appellant studiefinanciering toe te kennen. Het niet toekennen van studiefinanciering, die primair voor levensonderhoud is bedoeld, maakt niet dat gezegd zou moeten worden dat het recht op onderwijs voor appellant niet practical and effective is. In het kader van de toetsing van het bestreden besluit aan art. 14 EVRM moet de vraag worden beantwoord of er een toereikende rechtvaardiging is voor het ingevolge art. 2.2 van de Wsf 2000 in samenhang met art. 3 van het Bsf 2000 gemaakte onderscheid naar nationaliteit en verblijfsstatus. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. Het oordeel van het EHRM in de zaak Ponomaryov (10 februari 2009, 5335/05) brengt daarin, gelet op de relevante verschillen met de onderhavige zaak, geen verandering. De Raad wijst er in dit verband op dat de appellanten in die zaak rechtmatig verblijf hielden in het land waar zij onderwijs genoten, terwijl appellant in de onderhavige zaak geen rechtmatig verblijf houdt in Nederland. Voorts volgden de appellanten in die zaak voortgezet onderwijs en werden er voor wat betreft de toegang tot dat onderwijs aan hen meer, althans andere, eisen gesteld dan aan leerlingen met de nationaliteit van het land, terwijl appellant in het onderhavige geval hoger onderwijs volgt en aan hem dezelfde (financiële) toegangseisen worden gesteld als aan de andere studerenden bij de door appellant gevolgde opleiding. Vergelijking met de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 15 juli 2011, LJN: BR1905, leidt evenmin tot een ander oordeel. In die zaak ging het, naast andere relevante verschillen, immers om aanspraken ten behoeve van minderjarigen, terwijl appellant in de onderhavige zaak meerderjarig is.
Advocaten
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
