Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9942

Centrale Raad van Beroep · 14-06-2011 · zaaknummer 09-6640 WWB

Bestuursrecht; Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuikering. Schending inlichtingen verplichting. Verzwegen bankrekeningen. De Raad stelt voorop dat het besluit tot intrekking van de bijstand over de in 1.1 vermelde periodes in rechte onaantastbaar is geworden. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College in beginsel bevoegd is tot terugvordering van de kosten van ten onrechte aan appellanten verleende bijstand. De verjaring De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het in dit geval gaat om een vordering waarop artikel 3:309 van het BW ziet. Volgens deze bepaling verjaart een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgend op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van de vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. Aansluiting zoekend bij dit artikel is de Raad van oordeel dat de verjaringstermijn voor het nemen van een besluit tot terugvordering van bijstand aanvangt op het moment dat het bestuursorgaan bekend is geworden met feiten of omstandigheden op grond waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit inzake terugvordering in de rede ligt. Uit de gedingstukken kan worden afgeleid dat het College begin 2005 een signaal van de Belastingdienst heeft ontvangen inzake bankrekeningen ten name van appellanten die tot dan toe niet bij het College bekend waren. Aan appellanten is toen eerst verzocht duidelijkheid te verschaffen hetgeen niet in toereikende mate is gebeurd. Een en ander is uiteindelijk uitgemond in het besluit van 21 februari 2006 om tot intrekking van de bijstand over de in 1.1 vermelde periodes over te gaan. De Raad kan en zal in het midden laten of het aanvangsmoment van de verjaringstermijn, zoals het College heeft gesteld, precies samenvalt met de datum van het intrekkingsbesluit. Vaststaat immers dat het College in ieder geval niet vóór begin 2005 daadwerkelijk bekend was met het bestaan van de vordering en de persoon van de ontvanger. Nu het terugvorderingsbesluit op 7 februari 2008 is genomen, is evident dat verjaring van de vordering hier niet aan de orde is. Het beroep op verjaring treft derhalve geen doel .Dringende redenen. De Raad ziet in hetgeen door appellanten is aangevoerd geen dringende redenen om geheel of ten dele van terugvordering af te zien. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat aan appellanten tot nu steeds (laatstelijk tot 12 maart 2012) uitstel is verleend om het teruggevorderde bedrag - al dan niet in maandelijkse termijnen - terug te betalen. Voorts zullen appellanten indien en zodra het daadwerkelijk tot terugbetaling zal komen bescherming kunnen ontlenen aan de bepalingen inzake de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Advocaten

Partijen

  • [appellant]

    appellant · onbekend

  • [appellante]

    appellante · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.