ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7752
Centrale Raad van Beroep · 10-06-2011 · zaaknummer 10-1977 WAO
Inhoudsindicatie
WAO-schatting. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat in de gedingstukken geen aanknopingspunten zijn te vinden voor het oordeel dat de klachten in verband met de diabetes (type I) op grond waarvan appellante per 1 oktober 1993 toegenomen arbeidsongeschikt is geacht, voortkomen uit de psychische klachten die in 1973 hebben geleid tot de toekenning van de WAO-uitkering. Ook appellante heeft het door haar veronderstelde oorzakelijk verband op geen enkele wijze met (medische) stukken kunnen onderbouwen. De Raad verliest hierbij niet uit het oog dat volgens zijn vaste jurisprudentie de formulering van artikel 37 van de WAO, gelet op de daarop door de wetgever gegeven toelichting, ertoe strekt in geval van twijfel over het oorzakelijk verband tussen de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid en de later toegenomen arbeidsongeschiktheid, de balans ten voordele van de betrokkene te doen doorslaan. In het onderhavige geval ziet de Raad evenwel geen aanleiding tot zodanige twijfel. Ook de vraag of de beperkingen die appellante ondervindt als gevolg van haar psychische klachten, welke beperkingen in 1973 hebben geleid tot toekenning van de WAO-uitkering, per 1 oktober 1993 moet leiden tot een verhoging van het uitkeringspercentage, beantwoordt de Raad evenals de rechtbank ontkennend. In de tijdens de beroepsprocedure overgelegde verzekeringsgeneeskundige rapportage van 26 augustus 2009 en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) heeft bezwaarverzekeringsarts Egbers de psychische beperkingen van appellante ten aanzien van arbeid neergelegd, waaronder beperkingen in het sociaal functioneren, omdat appellante - evenals in 1973 en 1996 - ongeschikt wordt geacht voor werk in groter groeps- of teamverband en alleen geschikt is voor werk in een omgeving die beperkt is in ruimte. Appellante heeft geen medische gegevens aangedragen waaruit blijkt dat haar psychische beperkingen zijn onderschat dan wel dat haar sociaal functioneren anderszins meer beperkt zou zijn. Deze medische en arbeidskundige beoordeling heeft geleid tot een verlies aan verdiencapaciteit van 24%, waardoor appellante per datum in geding onveranderd voor 15 tot 25% arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd. Ten slotte merkt de Raad nog op dat weliswaar een aanzienlijk tijdsverloop heeft plaatsgevonden tussen de brief van het Uwv van 10 maart 1997 en het uiteindelijke toegezonden primaire besluit van 20 maart 2009, maar dat ook appellante kan worden verweten 12 jaar stil te hebben gezeten alvorens het Uwv aan te spreken op het uitblijven van het toegezegde besluit. Het verzuim aan de kant van het Uwv dienaangaande kan niet leiden tot de gevraagde verhoging van de uitkering.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
