ECLI:NL:CRVB:2011:BP8630
Centrale Raad van Beroep · 22-03-2011 · zaaknummer 09/1476 WWB + 09/1477 WWB
Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Gezamenlijke huishouding. De Raad is, anders dan appellante, van oordeel dat het besluit van 19 februari 2008 berust op een deugdelijke en voldoende kenbare motivering, als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Dat in het besluit staat vermeld dat het verslag van de hoorzitting onderdeel uitmaakt van het besluit betreft voorts een ongelukkige formulering. Dit betekent echter niet dat het besluit van 22 februari 2008 onvoldoende is gemotiveerd. Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellante en [d. H.] kinderen zijn geboren, is ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Algemene bijstandswet (Abw) respectievelijk van de WWB voor de beantwoording van de vraag of sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en [d. H.] gedurende de periode in geding hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellante en [d. H.] in de hier te beoordelen periode van 1 februari 2000 tot en met 30 oktober 2007 beiden hun hoofdverblijf in de woning van appellante. Volgens vaste rechtspraak van de Raad ligt het, indien een periodieke bijstandsuitkering is beëindigd of ingetrokken, in geval van een aanvraag gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Anders dan appellante heeft betoogd, geldt deze bewijslast in alle gevallen waarin na een eerdere intrekking een nieuwe bijstandsaanvraag wordt ingediend. Niet valt in te zien dat appellante, naar zij stelt, uitsluitend aan de op haar rustende bewijslast kon voldoen door te ‘bekennen’ dat zij in de periode voorafgaand aan haar nieuwe aanvraag had samengewoond met [d. H.]. Nu de woonsituatie van appellante, gelet op hetgeen zij tijdens het gesprek op 20 november 2007 heeft verklaard, niet is gewijzigd, is de aanvraag terecht afgewezen.
Advocaten
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
