Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:CRVB:2010:BL6931

Centrale Raad van Beroep · 25-02-2010 · zaaknummer 08-5068 AW + 08-6230 AW

Bestuursrecht; Bestuursrecht; AmbtenarenrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

1) Tijdelijk overplaatsing op grond van artikel 64 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) met ingang van 3 augustus 2006. Oplegging disciplinaire straf (voor onbebaalde tijd) van plaatsing in een lagere salarisschaal (schaal 7, eindperiodiek), onder gelijktijdige toekenning van een toelage, een en ander ter verzachting van de financiële consequenties van de terugplaatsing in salarisschaal. Bij datzelfde besluit heeft de korpsbeheerder appellant met ingang van 7 februari 2007 definitief overgeplaatst. Met betrekking tot de tijdelijke overplaatsing is de Raad met de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de korpsbeheerder in de gegeven omstandigheden niet in redelijkheid aanleiding heeft kunnen vinden om van zijn bevoegdheid op grond van artikel 64 van het Barp gebruik te maken. Evenals de rechtbank acht de Raad de aan appellant verweten, als plichtsverzuim aan te merken, gedragingen voldoende deugdelijk vastgesteld. De korpsbeheerder heeft ook naar het oordeel van de Raad voldoende aannemelijk gemaakt dat het gewraakte gesprek tussen appellant en H heeft plaatsgevonden. De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank dat de verhouding tussen appellant en de korpsbeheerder ten tijde van de definitieve overplaatsing op grond van artikel 64 van het Barp zodanig verstoord was dat het dienstbelang vorderde dat appellant in een ander district tewerk gesteld zou worden. De Raad stelt vast dat het geding in hoger beroep zich op de voet van artikel 6:19 van de Awb mede uitstrekt tot het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak gegeven nadere besluit van 13 oktober 2008, waarmee niet geheel aan het beroep is tegemoetgekomen. Gelet op hetgeen is overwogen en voorts niet is gebleken dat de gedragingen niet ten volle aan appellant kunnen worden toegerekend, was de korpsbeheerder bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden staande gehouden dat deze opgelegde disciplinaire straf onevenredig is aan de aard en de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Daarbij heeft de Raad laten wegen dat de gevolgen van deze straf zijn gemitigeerd door de gevolgen van het pensioen te beperken. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat de definitieve overplaatsing niet gezien moet worden als een tweede, verkapte disciplinaire straf, maar berust op het in artikel 64 van het Barp aangegeven dienstbelang (zie CRvB 26 februari 2009, LJN BH5416, TAR 2009).

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Partijen

  • [appellant]

    appellant · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.