ECLI:NL:CRVB:2009:BK5300
Centrale Raad van Beroep · 24-11-2009 · zaaknummer 07-6662 WWB + 07-6663 WWB + 08-1499 WWB
Inhoudsindicatie
Herziening en terugvordering bijstandsuitkering. Oplegging maatregel bij wijze van een verlaging van 10% gedurende een maand. Schending inlichtingenverplichting. Verzwegen werkzaamheden en inkomsten hieruit. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het College bij nader besluit van 14 januari 2008 het bezwaar tegen het besluit van 8 augustus 2006 gedeeltelijk gegrond verklaard, met dien verstande dat bij de herziening van de bijstand over de in geding zijnde periode rekening is gehouden met twaalf weken schoolvakantie (waarin niet is gewerkt) en het terug te vorderen bedrag nader is vastgesteld op € 6.961,70. De Raad merkt dit besluit aan als een besluit dat met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling moet worden betrokken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat appellante ten tijde in geding - met uitzondering van de schoolvakanties - gemiddeld 16 uur per week werkzaamheden ten behoeve van de familie heeft verricht. De Raad ziet met de rechtbank geen grond de door appellante op 10 mei 2006 tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring, zoals die in het door haar doorgelezen en per pagina ondertekende proces-verbaal is opgenomen, voor onjuist te houden. De Raad is voorts met het College en de rechtbank van oordeel dat de door appellante verrichte activiteiten ten behoeve van het gezin, gelet op de aard, omvang, regelmaat en het terugkerend karakter daarvan, als op geld waardeerbare arbeid en/of als werkzaamheden waarvoor zij een beloning had kunnen bedingen moeten worden aangemerkt. Hetgeen appellante in dat verband heeft betoogd omtrent door haar verleende vriendendiensten kan de Raad reeds vanwege het structurele karakter van de werkzaamheden en de kennelijk betaalde reiskostenvergoeding niet volgen. Het College heeft voorts terecht evenredig aan het aantal gewerkte uren een fictief inkomen in aanmerking genomen. De Raad wijst er in dat verband nog op dat ingevolge artikel 31, eerste lid, van de WWB tot de middelen worden gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. De Raad stelt voorts vast dat het College door aansluiting te zoeken bij de door het NIBUD gehanteerde (minimum)tarieven - oplopend van € 3,30 per uur in 2004 tot € 3,50 per uur in 2006 - appellante niet tekort heeft gedaan. Door van deze werkzaamheden geen melding te maken bij het College heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden. De Raad is van oordeel dat het College, bij het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen nadere besluit, terecht de herziening van de bijstand over de geding zijnde periode met in totaal 20 (schoolvakantie)weken heeft teruggebracht en in lijn daarmee het bedrag van de terugvordering nader heeft vastgesteld op € 6.961,70. De Raad stelt voorts vast dat het College bevoegd was met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB tot herziening over te gaan. Het College heeft ter zake van de intrekking overeenkomstig het door hen gevoerde beleid gehandeld. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de WWB geheel of gedeeltelijk van intrekking had moeten afzien.
Advocaten
- J.C.M. Vogelpoel
Partijen
[appellante]
appellante · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
