ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8972
Centrale Raad van Beroep · 29-09-2009 · zaaknummer 08-3083 WWB
Inhoudsindicatie
Opschorting, intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Evenals in beroep heeft appellant in hoger beroep aangevoerd dat het College ten onrechte geen beslissing heeft genomen op de in zijn brief van 24 mei 2006 vermelde bezwaren. Voorts is aangevoerd dat de rechtbank hieraan in de aangevallen uitspraak ten onrechte geen aandacht heeft geschonken. Deze beroepsgrond slaagt. De brief van appellant van 24 mei 2006 is een reactie op het opschortingsbesluit van 18 mei 2006 en dient, gelet op de bewoordingen ervan, zonder meer als een bezwaarschrift tegen dat besluit te worden aangemerkt. In zijn besluiten van 5 oktober 2006 en 26 januari 2007 heeft het College zich evenwel beperkt tot het geven van een oordeel over de bezwaren van appellant tegen de intrekking en de terugvordering van de bijstand. De rechtbank heeft weliswaar terecht opgemerkt dat appellant bezwaar heeft gemaakt tegen het opschortingsbesluit, maar - ten onrechte - geen consequenties verbonden aan het ontbreken van een beslissing op dat bezwaar. Verder heeft de rechtbank, hoewel het besluit van 26 januari 2007 daarop geen betrekking heeft, de opschorting toch in het kader van dat besluit inhoudelijk beoordeeld. Daarmee heeft de rechtbank gehandeld in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Met het oog op een definitieve beslechting van het geschil en in aanmerking genomen dat appellant zowel in de bezwaarfase als in beroep en in hoger beroep de opschorting van de bijstand gemotiveerd heeft bestreden en dat het College hierop heeft gereageerd, ziet de Raad aanleiding met gebruikmaking van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien op de in 4.4 aangegeven wijze. Hij overweegt hierover verder het volgende. De Raad volgt het College voorts in zijn standpunt dat de gevraagde informatie niet binnen de afgesproken termijn is verstrekt en dat dit appellant kan worden verweten. Appellant was dan ook op 15 mei 2006 in verzuim. Het College is derhalve bevoegd het recht op bijstand van appellant met ingang van 15 mei 2006 met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB op te schorten. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat van deze bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik zou kunnen worden gemaakt. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank - en in de overwegingen waarop dat oordeel rust - dat het College op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd was tot intrekking van de bijstand met ingang van 15 mei 2006 en dat het College in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft kunnen maken. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 26 januari 2007 derhalve terecht in stand gelaten. Geen ruimte voor inwilliging van het verzoek van appellant om veroordeling van het College tot schadevergoeding.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
