Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5490

Centrale Raad van Beroep · 04-08-2009 · zaaknummer 08-1893 WWB

Bestuursrecht; Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bedrijfskapitaal en voor levensonderhoud ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Ingevolge artikel 2, eerste en tweede lid, van het Bbz 2004 kan aan de zelfstandige die een bedrijf begint dat levensvatbaar is algemene bijstand en/of bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal worden verleend. Onder een levensvatbaar bedrijf wordt ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 verstaan het bedrijf waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf en voor de voorziening in het bestaan. Blijkens de toelichting op deze bepaling betekent dit dat het inkomen toereikend dient te zijn om alle aflossingsverplichtingen te voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is een bijstandverlenend orgaan in zaken als de onderhavige in de regel gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming te baseren op in concreto verkregen adviezen van instanties als het FCBV. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat er in dit geval geen grond is voor de conclusie dat het College niet op het advies van het FCBV, en de overwegingen die tot dat advies hebben geleid, had mogen afgaan. De Raad is niet gebleken dat de rapportage van FCBV op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, feitelijke onjuistheden bevat of dat het advies ondeugdelijk is gemotiveerd. De Raad onderschrijft voorts de vaststelling van de rechtbank dat appellant met ingang van 29 maart 2006 niet langer in de gemeente Rotterdam woonplaats had. Gelet op artikel 40, eerste lid, van de WWB had appellant daarom per die datum geen recht op bijstand meer jegens het College. Het College was dan ook bevoegd de bijstand van appellant over de periode van 29 maart 2006 tot en met 30 april 2006 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB in te trekken en de kosten van bijstand op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB van hem terug te vorderen. Geen sprake van dringende redenen.

Advocaten

Partijen

  • [appellant]

    appellant · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.