Gepubliceerde uitspraken
Index van openbaar gepubliceerde uitspraken van de Rechtspraak, met het gerecht en de rechters en advocaten die in de uitspraak genoemd worden. Van elke zaak tonen we de metadata en de inhoudsindicatie; de volledige uitspraak lees je bij de bron.
Uitspraken met mr. R.J. Baumgardt
18 uitspraken · nieuwste eerst · pagina 1 van 1
Opzettelijk voorhanden hebben van grote hoeveelheid tabaksproducten (sigaretten en rooktabak) die niet overeenkomstig Wet op accijns in heffing zijn betrokken (meermalen gepleegd) door aanwezigheid van illegale sigarettenfabriek met onveraccijnsde tabaksproducten in loods achter zijn woning, art. 5 Wet op accijns. Bewijsklacht opzet en voorhanden hebben. Kon hof oordelen dat verdachte als pleger kan worden aangemerkt van “opzettelijk voorhanden hebben” van accijnsgoederen a.b.i. art. 5.1.b jo. 97 Wet op accijns? O.g.v. art. 97 jo. 5.1.b Wet op accijns kan degene worden bestraft die “opzettelijk” accijnsgoed dat niet overeenkomstig bepalingen van Wet op accijns in heffing is betrokken, “voorhanden heeft”. Op deze strafbaarstelling zijn gelet op art. 91 Sr ook bepalingen van dat wetboek over deelneming aan strafbare feiten van toepassing, zodat ook personen strafrechtelijk aansprakelijk kunnen zijn die op andere manier dan als pleger betrokken zijn bij overtreden van het in art. 5.1.b Wet op accijns opgenomen verbod. In art. 97 Wet op accijns bedoeld opzet moet allereerst zijn gericht op voorhanden hebben van accijnsgoed. Daarnaast moet dat opzet erop zijn gericht dat dit goed niet overeenkomstig bepalingen van Wet op accijns in heffing is betrokken. Onder dit opzet is ook voorwaardelijk opzet begrepen. Dat voorwaardelijk opzet is aanwezig als verdachte bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg (zoals hier: voorhanden hebben van een niet overeenkomstig wet in heffing betrokken accijnsgoed) zal intreden (vgl. HR:2003:AE9049 en HR:2018:718). Voor uitleg van “voorhanden hebben” in art. 5.1.b Wet op accijns is van belang dat tekst en totstandkomingsgeschiedenis van die wet geen aanwijzing bevatten dat daaraan andere betekenis moet worden toegekend dan aan “voorhanden hebben” in art. 2.1.b (omschrijving van belastbaar feit) en in 51.1.b (aanwijzing schuldenaren t.z.v. belastbaar feit) Wet op accijns. In HR:2022:659 en HR:2026:282 heeft HR uiteengezet dat in geval dat voor goederen accijns o.g.v. art. 2.1.b Wet op accijns is verschuldigd, art. 51.1.b Wet op accijns als belastingplichtige aanwijst zowel “persoon die accijnsgoederen voorhanden heeft” als “enig ander persoon die bij voorhanden hebben betrokken is” en dat met die bepaling uitvoering is gegeven aan wat art. 8.1.b Richtlijn 2008/118/EG (oud) voorschrijft. Art. 51.1.b Wet op accijns moet daarom overeenkomstig die richtlijnbepaling worden uitgelegd. HR heeft in HR:2022:659 verder overwogen dat “persoon die accijnsgoederen voorhanden heeft” a.b.i. art. 8.1.b Richtlijn 2008/118/EG (oud) in gewoon spraakgebruik ziet op persoon die deze goederen fysiek tot zijn beschikking heeft. Daarbij is niet relevant is of betreffende persoon een recht of enig belang kan doen gelden m.b.t. die goederen en ook niet of deze persoon weet of redelijkerwijs had behoren te weten dat voor die goederen accijns wordt verschuldigd. Hof heeft voor toepassing van art. 97 Wet op accijns tot uitgangspunt genomen dat als degene die “voorhanden heeft” a.b.i. art. 5.1.b Wet op accijns ook moet worden aangemerkt degene die “betrokken is bij voorhanden hebben” van accijnsgoederen die niet overeenkomstig bepalingen van Wet op accijns in heffing zijn betrokken. Daarbij heeft hof kennelijk aansluiting gezocht bij de in art. 51.1.b Wet op accijns aangewezen personen van wie accijns kan worden geheven t.z.v. belastbaar feit “voorhanden hebben”. Gelet op wat hiervoor is overwogen, getuigt dat oordeel van onjuiste rechtsopvatting omdat met “voorhanden hebben” in art. 5.1.b Wet op accijns hetzelfde is bedoeld als met “voorhanden hebben” in art. 2.1.b Wet op accijns en laatstbedoelde bepaling (ter uitvoering van art. 7.2.b Richtlijn 2008/118/EG) niet omvat “betrokken zijn bij voorhanden hebben”. Met art. 97 Wet op accijns wordt dus niet strafbaar gesteld “betrokken zijn bij voorhanden hebben” van accijnsgoederen die niet overeenkomstig Wet op accijns in heffing zijn betrokken. Dat leidt echter niet tot cassatie, nu hof heeft vastgesteld dat (i) in loods een illegale productielijn voor sigaretten is aangetroffen met onveraccijnsde tabaksproducten die niet waren voorzien van accijnszegels, waaronder 1.692.500 sigaretten en 1.680 kilogram rooktabak, (ii) verdachte economisch eigenaar is van deze loods, die zich bevindt direct achter zijn woonhuis, (iii) verdachte deze loods niet heeft verhuurd, en (iv) verdachte toegang had tot alle ruimten van loods en ook in loods is geweest. Deze vaststellingen (in samenhang met de in cassatie niet bestreden veroordeling van verdachte voor medeplichtigheid aan vervaardigen van accijnsgoederen (tabaksproducten) buiten accijnsgoederenplaats door ruimte in loods ter beschikking te stellen waar dat vervaardigen plaatsvond) dragen bewezenverklaring v.zv. die inhoudt dat verdachte op dag waarop niet in heffing betrokken tabaksproducten in betreffende ruimte van loods zijn ontdekt, die tabaksproducten fysiek tot zijn beschikking en zodoende voorhanden heeft gehad a.b.i. art. 5.1.b Wet op accijns. Ook heeft hof daaruit kunnen afleiden dat verdachte “minstgenomen bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard om onveraccijnsde tabaksproducten voorhanden te hebben”, en dat verdachte dus in art. 5.1.b Wet op accijns opgenomen verbod opzettelijk a.b.i. art. 97 Wet op accijns heeft overtreden. Volgt verwerping. CAG: anders.
Medeplegen oplichting van woningbouwvereniging door directeur-bestuurder, art. art. 326.1 Sr. Bewijsklachten t.a.v. bewegen tot, valse hoedanigheid en omkering van bewijslast. Heeft verdachte “valse hoedanigheid” van betrouwbare en integere bestuurder aangenomen? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/02228, 24/02229 en 24/02230. Vervolg op HR:2022:107.
Gewoonte maken van mensensmokkel (meermalen gepleegd) door 5 personen te helpen met het (met valse documenten) verkrijgen van Nederlandse verblijfsvergunning bij IND, art. 197a.2 jo. 197a.4 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht “wederrechtelijk verblijf”. Kon hof oordelen dat in bewezenverklaring genoemde personen zich wederrechtelijk verblijf in Nederland hebben verschaft? 2. Bewijsklacht “winstbejag”. Kon hof oordelen dat verdachte t.a.v. de niet met naam in tll. genoemde personen uit “winstbejag” heeft gehandeld? Ad 1. Van “wederrechtelijk verblijf” a.b.i. art. 197a.2 Sr is sprake als verblijf plaatsvindt zonder enig subjectief recht of enige bevoegdheid. In art. 197a.2 Sr bedoelde behulpzaamheid moet zijn verleend aan iemand die tot verblijf in Nederland of Schengen-rechtsgebied aan geen rechtsregel (van nationale of internationale herkomst) enige titel kan ontlenen (vgl. HR:2008:BA8499). Hof heeft in zijn bewijsvoering o.m. vastgesteld dat 5 in tll. genoemde en 12 van 14 niet in tll. genoemde, maar wel in dossier vermelde, vreemdelingen een aanvraag voor verblijfsvergunning hebben gedaan o.b.v. valse documenten. O.g.v. deze vaststelling heeft hof geoordeeld dat die personen zich wederrechtelijk verblijf in Nederland hebben verschaft of geprobeerd hebben te verschaffen. Dat oordeel getuigt in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld niet van onjuiste rechtsopvatting en het is toereikend gemotiveerd. Daaraan staat niet in de weg dat IND (nog) geen consequenties heeft verbonden aan omstandigheid dat aanvraag is gedaan o.b.v. valse documenten, door intrekken van verblijfsvergunning van aantal in bewezenverklaring bedoelde personen. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Hof heeft overwogen dat verdachte een geldelijk voordeel heeft behaald van minimaal € 87.560,57 vanwege smokkelen van 5 in bewezenverklaring met naam genoemde vreemdelingen. Kennelijk om te accentueren dat daarmee niet gezegd is dat dit het volledige voordeel van verdachte is geweest, heeft hof overwogen dat er “aanwijzingen” zijn dat verdachte er hoger bedrag aan over heeft gehouden en er daarbij ook op gewezen dat transacties in relatie tot 14 in tll. niet met naam genoemde koppels niet in dat bedrag zijn meegenomen. Op zichzelf is er daarmee geen direct bewijs geleverd dat verdachte ook voordeel heeft genoten uit zijn behulpzaamheid aan 14 andere koppels. Maar hof heeft o.g.v. gegeven dat verdachte bij 5 in tll. wel met naam genoemde personen zeer aanzienlijk bedrag heeft opgestreken, klaarblijkelijk geoordeeld dat zijn beroepsmatige handelen m.b.t. elk van de in bewezenverklaring betrokken vreemdelingen uit winstbejag (gericht op verrijking) plaatsvond. Dat oordeel is toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat uit bewijsvoering volgt dat die beroepsmatige behulpzaamheid door verdachte steeds vergelijkbare vormen heeft aangenomen en gelet op ’s hofs overwegingen over georganiseerdheid van handelen van verdachte. Volgt verwerping.
Poging tot zware mishandeling door medegedetineerde met aardappelschilmesje in buik te steken, art. 302.1 jo. 45.1 Sr. Noodweer, proportionaliteitseis (art. 41.1 Sr). Kon hof gelet op ontkennende houding van verdachte niet aannemelijk achten dat handelen van verdachte proportioneel was? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2016:456 m.b.t. proportionaliteitseis bij noodweer. Hof heeft beroep op noodweer verworpen omdat het niet aannemelijk heeft geacht dat handelen van verdachte proportioneel was, “nu verdachte ontkent te hebben gestoken - en daarmee niet duidelijk is geworden in welke situatie hij zich bevond en waarom hij genoodzaakt was om te steken”. Volgens hof is onvoldoende inzicht gegeven in feitelijk verloop van aanranding om proportionaliteit van handelen van verdachte aannemelijk te kunnen achten. ’s Hofs oordeel is in het licht van wat is vooropgesteld niet zonder meer begrijpelijk, gelet op wat hof heeft vastgesteld over feitelijke gang van zaken (waarbij aangever cel binnenkwam waarin verdachte zich bevond, deur achter zich dichttrok, verdachte in hoek van cel dreef en op hem begon in te slaan) en daardoor ontstane noodweersituatie waarin verdachte zich bevond, toen hij aangever door hem met aardappelschilmesje in buik te steken letsel heeft toegebracht zoals beschreven in letselbeschrijving. Daarbij is ook van belang dat hof niet kenbaar in zijn oordeel heeft betrokken wat door verdediging is aangevoerd, dat erop neerkomt dat verdachte in paniek was en fysiek niet was opgewassen tegen aangever die “al zo’n 3 à 4 jaar vecht in de ring”. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Medeplegen bewerken van cocaïne (art. 2.B Opiumwet), medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. productie van cocaïne (art. 10a.1.3 Opiumwet) en medeplegen aanwezig hebben van 72,9 kilogram cocaïne (art. 2.C Opiumwet). 1. Afwijzing van verzoek tot horen van een ttz. meegebrachte getuige, op de grond dat noodzaak daartoe ontbreekt. Is afwijzing begrijpelijk? 2. Bewijsklacht t.a.v. bewezenverklaarde periode. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/01770.
Medeplegen bewerken van cocaïne (art. 2.B Opiumwet), medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. productie van cocaïne (art. 10a.1.3 Opiumwet) en medeplegen aanwezig hebben van 72,9 kilogram cocaïne (art. 2.C Opiumwet). 1. Post-Keskin. Afwijzing van een bij appelschriftuur gedaan en ttz. in hoger beroep gehandhaafd verzoek tot horen van 2 verbalisanten als getuigen, op de grond dat noodzaak daartoe ontbreekt. Is afwijzing begrijpelijk en voldoet procedure in haar geheel aan art. 6 EVRM? 2. Bewijsklachten t.a.v. medeplegen en bewezenverklaarde periode. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/01771.
Medeplegen nachtelijke woningoverval waarbij aangever is gedwongen tot afgifte van grote hoeveelheid geld (€ 20.000) uit kluis, art. 317.3 jo. 312.2 Sr. Innerlijke tegenstrijdigheid ’s hofs arrest. Is arrest innerlijk tegenstrijdig, nu hof de verklaring van aangever dat geldbedrag van € 20.000 uit kluis is weggenomen voor bewijs heeft gebruikt maar t.a.v. vordering benadeelde partij (van diezelfde aangever) heeft geoordeeld dat niet in voldoende mate kan worden vastgesteld dat dit geldbedrag daadwerkelijk is weggenomen? HR: art. 81.1 RO.
Ontucht met aan zijn zorg toevertrouwde 11-jarige/14-jarige dochter van zijn toenmalige vriendin door 38-jarige/42-jarige verdachte, art. 249.1 (oud) Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vindt verklaring van aangeefster voldoende steun in andere bewijsmiddelen? 2. Omvang hoger beroep en onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen computer. Kon hof de onttrekking aan het verkeer van computer bevelen, nu beslissing Rb t.a.v. desbetreffend feit (vervaardigen en bezit van dierenporno) onherroepelijk is geworden en niet aan oordeel van hof is onderworpen? Belang bij cassatie? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft geoordeeld dat verklaring van aangeefster over f&o die met ontuchtige handelingen contextueel verband houden, in voldoende mate bevestiging vindt in andere bronnen. Steunbewijs ziet hof in de door verdachte heimelijk gemaakte opnames in slaapkamer van aangeefster en in verklaringen van haar tante en haar nichtje. ’s Hofs oordeel dat aan bewijsminimumvoorschrift is voldaan, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 2. Vonnis Rb houdt als haar beslissing o.m. in onttrekking aan het verkeer van computer, omdat m.b.t. dit voorwerp het onder 4 bewezenverklaarde feit is begaan. Hof heeft over omvang van h.b. overwogen dat alleen beslissingen t.a.v. het onder 1 tlgd. aan zijn oordeel zijn onderworpen. Dat betekent dat beslissing Rb tot onttrekking aan het verkeer van computer i.v.m. het onder 4 bewezenverklaarde feit niet aan ‘s hofs oordeel was onderworpen en al onherroepelijk is geworden. Die beslissing van Rb is dus ook niet aan oordeel van HR onderworpen. Als gevolg hiervan heeft verdachte geen belang bij klacht over ‘s hofs beslissing dat (ook) i.v.m. het onder 1 bewezenverklaarde de computer (nogmaals) aan het verkeer wordt onttrokken. Immers, ook als deze klacht zou slagen en die laatstgenoemde beslissing zou worden vernietigd, blijft onherroepelijk geworden beslissing Rb tot onttrekking aan het verkeer van computer (i.v.m. het onder 4 bewezenverklaarde) in stand. Volgt verwerping. Samenhang met 25/03172 (niet gepubliceerd; art. 80a RO).
Medeplichtigheid aan medeplegen poging tot uitlokking van moord door contact te leggen met huurmoordenaars (‘tattookillers’), art. 289 jo. 48, 47 en 46a Sr. Grondslagverlating. Heeft hof grondslag van tll. verlaten door in het midden te laten of sprake is van medeplichtigheid aan medeplegen van 1 of 2 pogingen tot uitlokking van moord? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/03938 en met 24/03971 (niet gepubliceerd; geen schriftuur ingediend, verdachte n-o).
Medeplegen afpersing, art. 317.3 jo. 312.2.2 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht, innerlijke tegenstrijdigheid ‘s hofs arrest. Strookt ’s hofs vaststelling in bewijsvoering “medeverdachte zei op dreigende toon dat aangever niet thuis zou komen als hij niet zou betalen” met vrijspraak van “(dreigend)” gezegd zijn van die soortgelijke tlgd. bewoordingen? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: In ’s hofs oordeel en daarbij betrokken feiten en omstandigheden ligt besloten dat tlgd. bewoordingen “dat hij dan niet thuis zou komen” niet (zoals is tlgd.) “dreigend” (door medeverdachte) tegen aangever gezegd. Daarom moet worden aangenomen dat ten gevolge van kennelijke vergissing in bewijsvoering is opgenomen dat medeverdachte “op dreigende toon” zei “dat aangever niet thuis zou komen als hij niet zou betalen”, terwijl hof kennelijk slechts heeft bedoeld duidelijk te maken dat deze door medeverdachte gebruikte bewoordingen aan bedreigende sfeer hebben bijgedragen. Verdachte is door ongelukkige formulering van hof niet in zijn belangen geschaad, omdat uit ’s hofs vaststellingen in bewijsvoering in voldoende mate kan worden afgeleid dat sprake is geweest van bedreiging met geweld a.b.i. art. 317 Sr. Uit samenstel van vastgestelde uitlatingen en gedragingen heeft hof immers kunnen afleiden dat vrees van aangever voor geweld gerechtvaardigd was. Dat bewezenverklaarde bewoordingen niet op dreigende wijze zijn gezegd doet daar niet af, in aanmerking genomen dat hof blijkens arrest is uitgegaan van lezing van aangever over hetgeen is gebeurd en hof ook heeft vastgesteld dat aangever zich bedreigd voelde en gevoel had dat hij geen kant op kon. Volgt verwerping.
Medeplegen bewerken (art. 2.B Opiumwet) en aanwezig hebben (art. 2.C Opiumwet) van heroïne. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht hoeveelheid heroïne. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat stof bedoeld in bewezenverklaring “ongeveer 681 gram heroïne” betreft? Klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag omdat hof bewezen heeft verklaard “ongeveer 681 gram, van materiaal bevattende heroïne” en dus niet (zoals in middel wordt gesteld) “ongeveer 681 gram heroïne”. Volgt verwerping. Samenhang met 24/01299.
Aanwezig hebben van hennep in woning waar verdachte ingeschreven staat, art. 3.C Opiumwet. Bewijsklacht aanwezig hebben. Kon hof oordelen dat hennep zich in machtssfeer van verdachte bevond? HR: art. 81.1 RO.
Poging tot zware mishandeling door met auto op ander in te rijden, art. 302.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht (voorwaardelijk) opzet op toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Kon hof oordelen dat verdachte met bewezenverklaarde gedraging aanmerkelijke kans dat aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou bekomen in het leven heeft geroepen? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: ’s Hofs op zijn vaststellingen in bewijsvoering gebaseerde oordeel dat aanmerkelijke kans aanwezig was dat aangeefster door handelen van verdachte zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Uit ‘s hofs bewijsvoering volgt genoegzaam dat snelheid waarmee verdachte vooruit is gereden dusdanig was dat bestaan van aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel kon worden aangenomen. Volgt verwerping.
Belaging door gedurende periode van bijna 2 maanden veelvuldig (seksueel getinte) berichten via e-mail, Instagram en Facebook naar aangeefster te sturen, art. 285.1 Sr. TBS met dwangverpleging en maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking opgelegd. Motivering oplegging van maatregelen. Kon hof oordelen dat bij verdachte sprake is van stoornis a.b.i. art. 37a Sr en dat is voldaan aan “gevaarscriterium” a.b.i. art. 37b.1 Sr en art. 38z Sr? HR: art. 81.1 RO.
Rijden met ongeldig verklaard rijbewijs (art. 9.2 WVW 1994) en gevaar op de weg veroorzaken (art. 5 WVW 1994). Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn hoger beroep, omdat het te laat is ingesteld, art. 408.2 Sv. Ontvankelijkheid hoger beroep en betwisting dat vonnis Pr in persoon aan verdachte is uitgereikt. Kon hof vaststellen dat zich omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat einduitspraak verdachte bekend is, nu blijkens akte van uitreiking verdachte heeft geweigerd mededeling uitspraak in ontvangst te nemen? Hof heeft kennelijk aangenomen dat geen sprake is van omstandigheid a.b.i. art. 408.1 Sv. O.g.v. art. 408.2 Sv moet verdachte in dat geval binnen 14 dagen nadat zich omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat einduitspraak de verdachte bekend is, h.b. instellen tegen vonnis van Pr. Van ‘omstandigheid waaruit voortvloeit dat einduitspraak de verdachte bekend is’, is sprake als verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor besluitvorming t.a.v. instellen van h.b., zoals aard of zwaarte van bij vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en) (vgl. HR:2013:BZ1940). ’s Hofs oordeel dat zich omstandigheid heeft voorgedaan a.b.i. art. 408.2 Sv is niet zonder meer begrijpelijk in het licht van wat hiervoor is overwogen. Hof heeft immers uitsluitend vastgesteld dat is geprobeerd mededeling uitspraak aan verdachte uit te reiken, waarbij verdachte heeft geweigerd die mededeling uitspraak in ontvangst te nemen, maar het heeft niet vastgesteld dat verdachte op die datum ook op de hoogte is gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor besluitvorming t.a.v. instellen van h.b. In dit opzicht verschilt deze zaak van geval dat aan de orde was in HR:2017:1160, waarin hof had vastgesteld dat verdachte, na zijn weigering om stuk (dagvaarding) in ontvangst te nemen, inhoud daarvan is meegedeeld. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op motorboot onder klager t.z.v. verdenking van diefstal, waarna Rb het klaagschrift gegrond verklaart en teruggave van motorboot gelast aan ander (verzekeraar). Kon Rb oordelen dat motorboot moet worden teruggegeven aan ander dan beslagene, die zelf geen klaagschrift heeft ingediend? Als in geval als dit waarin OM van oordeel is dat belang van strafvordering het voortduren van beslag niet vordert, Rb bevindt dat ander dan beslagene redelijkerwijs als rechthebbende t.a.v. dat voorwerp moet worden beschouwd, moet klaagschrift van beslagene ongegrond worden verklaard. Alleen als die rechthebbende zelf klaagschrift heeft ingediend, kan teruggave aan hem/haar worden gelast (vgl. HR:2010:BL2823). Stukken houden niet in dat ander dan beslagene een klaagschrift heeft ingediend. Daarom heeft Rb ten onrechte teruggave van inbeslaggenomen motorboot gelast aan ander. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG (strekking): ongegrondverklaring van beklag.
Medeplegen zware mishandeling met voorbedachte raad door aangever met auto naar afgelegen plek in bos te brengen en hem daar meermalen tegen zijn hoofd en lichaam te schoppen, trappen en slaan, waardoor aangever meerdere fracturen (in zijn gezicht en kuitbeen) en ontwrichting ter hoogte van zijn sleutelbeen oploopt, art. 302.1 jo. 303.1 Sr. Bewijsklacht zwaar lichamelijk letsel. Kunnen breuken van kaakholte, oogkasbodem, neusbijholte, jukbeen en kuitbeen (naast ontwrichting ter hoogte van sleutelbeen) worden aangemerkt als “zwaar lichamelijk letsel” a.b.i. art. 302.1 jo. 303.1 Sr? HR wijdt beschouwingen aan begrip zwaar lichamelijk letsel, waarbij HR nader ingaat op algemene gezichtspunten voor beantwoording van vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, te weten aard van letsel, eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en uitzicht op (volledig) herstel. Als het toebrengen of veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel wordt tlgd., kan het voor beoordeling door rechter van belang zijn dat zich bij processtukken gegevens bevinden die concreet informatie geven over (elk van) de hiervoor genoemde gezichtspunten. OM is ervoor verantwoordelijk dat hiervoor benodigde (medische) stukken, voordat zaak ttz. wordt behandeld, bij processtukken worden gevoegd (vgl. art. 149a.1 Sv). In voorkomende gevallen kan rechter (desnoods door aanhouding van behandeling van zaak) bewerkstelligen dat stukken met nadere informatie over letsel alsnog bij processtukken worden gevoegd. Hof heeft vastgesteld dat slachtoffer a.g.v. bewezenverklaarde geweldshandelingen van verdachte en zijn mededaders (naast ontwrichting ter hoogte van sleutelbeen) breuken in meerdere lichaamsdelen, te weten breuken op 2 plaatsen van kaakholte, oogkasbodem, neusbijholte, jukbeen en kuitbeen heeft opgelopen. Verder heeft hof vastgesteld dat slachtoffer op spoedeisende hulp van ziekenhuis is behandeld door chirurg. Op grond hiervan heeft hof kennelijk geoordeeld dat in dit specifieke geval de aard, samenstel en veelheid van de aan slachtoffer toegebrachte letsels zo ernstig zijn dat deze (ook zonder nadere/specifieke vaststellingen over noodzaak en aard van medisch ingrijpen en uitzicht op (volledig) herstel) als zwaar lichamelijk letsel a.b.i. art. 302.1 jo. 303.1 Sr moeten worden aangeduid. Dat oordeel getuigt in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. CAG: anders.
In zijn arrest van HR LJN AZ1702 heeft de HR een aantal vragen besproken die zijn gerezen n.a.v. de wet van 10-11-2004 tot wijziging van het WvSv en het WvSr en de Wet RO i.v.m. het horen van getuigen en enkele verwante onderwerpen (Stb. 579). Deze vragen zagen o.m. op de wijzigingen in de regeling m.b.t. de wijze waarop de verdediging in h.b. getuigen en deskundigen kan opgeven en de voor de beoordeling van dergelijke verzoeken geldende maatstaven. De HR gaat i.c. nader in op de maatstaven voor de beoordeling van bij appelschriftuur (i.d.z.v. art. 410.1 Sv) opgegeven getuigen en deskundigen, meer in het bijzonder op de in art. 418.2 Sv voorziene weigeringsgrond. Uit de geschiedenis van eerdergenoemde wet blijkt dat de wetgever met de formulering van art. 418.2 Sv heeft willen aansluiten bij art. 410.3 Sv. Bij het schrappen van de woorden “daaraan voorafgaand” in art. 410.3 Sv bij de Wet stroomlijnen hoger beroep is kennelijk over het hoofd gezien dat ook art. 418.2 Sv in dat opzicht wijziging behoefde. De HR ziet daarin aanleiding om voor de toepassing van art. 418.2 Sv niet te eisen dat het verhoor van de R-C heeft plaatsgevonden vóór de 1e terechtzitting in 1e aanleg.
Deze index komt uit de open data van de Rechtspraak (uitspraken.rechtspraak.nl). Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd, met een link naar de volledige uitspraak bij de bron. Rechterspagina's zijn een registratie van publicaties, geen beoordeling. Klopt er iets niet?
