Gepubliceerde uitspraken
Index van openbaar gepubliceerde uitspraken van de Rechtspraak, met het gerecht en de rechters en advocaten die in de uitspraak genoemd worden. Van elke zaak tonen we de metadata en de inhoudsindicatie; de volledige uitspraak lees je bij de bron.
Uitspraken met mr. W.H. Jebbink
3 uitspraken · nieuwste eerst · pagina 1 van 1
Opruiing door in 2020 tijdens coronapandemie een online oproep te plaatsen teneinde derden aan te sporen om deel te nemen aan verboden demonstratie in Den Haag, art. 131.1 Sr. Had hof in bewezenverklaring bedoelde uitlatingen moeten opvatten als oproepen tot vreedzaam protest en is veroordeling voor opruiing met daarbij oplegging van taakstraf van 60 uren verenigbaar met art. 10 en 11 EVRM? Bij beoordeling of door verdachte gedane uitingen aansporen tot enig strafbaar feit en dus ‘opruiend’ zijn a.b.i. art. 131 Sr, komt betekenis toe aan inhoud en strekking van gedane uitingen in hun onderlinge samenhang bezien alsmede context waarin deze uitingen aan publiek zijn geopenbaard (vgl. HR:2020:2020). Onder omstandigheden kan ook indirecte aansporing tot enig strafbaar feit worden aangemerkt als opruiing (vgl. HR:2020:447). In begrip ‘opruiing’ a.b.i. art. 131.1 Sr ligt opzet besloten. Voor bewezenverklaring van opruiing is daarom ten minste vereist dat verdachte bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn uitingen derden aansporen tot strafbaar gedrag of tot gewelddadig optreden tegen openbaar gezag (vgl. HR:2024:1573). HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:126, HR:2023:1743, HR:2024:1622 en HR:2025:1438, die van belang zijn voor beoordeling door rechter of veroordeling voor overtreding van art. 131.1 Sr geen ontoelaatbare inbreuk vormt op art. 10 en 11 EVRM. Hof heeft geoordeeld dat uitlatingen een duidelijke en directe oproep bevatten om te gaan demonstreren in Den Haag, ondanks verdachte bekend verbod, en dat hij daarmee opzettelijk heeft opgeroepen tot strafbaar feit a.b.i. art. 11.1.a WOM (deelnemen aan demonstratie waarvoor verbod is gegeven) en zich schuldig heeft gemaakt aan opruiing. Hof heeft vervolgens geoordeeld dat strafrechtelijk optreden tegen verdachte is te kwalificeren als beperking van recht op vrijheid van meningsuiting en van recht op vrijheid van vergadering a.b.i. art. 10 en 11 EVRM, maar dat deze bij wet voorziene beperking noodzakelijk was in democratische samenleving. Die noodzakelijke beperking hield hier verband met zowel bescherming van gezondheid als voorkomen van wanordelijkheden. Waar het gaat om bescherming van gezondheid, heeft hof geoordeeld dat toen bestaande coronapandemie en daarmee gepaard gaande onzekerheden over verloop en gevolgen daarvan, ook voor ernstig onder druk staande gezondheidszorg, op zichzelf “pressing social need” opleverden voor (ter bescherming van gezondheid) opleggen van beperkingen t.a.v. de uit art. 10 en 11 EVRM voortvloeiende rechten, ook als het zou gaan om oproep tot vreedzame demonstratie. Hof heeft echter geoordeeld dat uitlatingen van verdachte “bepaald niet” kunnen worden opgevat als oproepen tot vreedzaam protest. Daarbij heeft hof betrokken dat verdachte zijn uitlatingen deed tegen achtergrond van wanordelijkheden die hadden plaatsgevonden tijdens eerdere demonstratie en dat verdachte in samenhang met de in bewezenverklaring opgenomen uitlatingen heeft gezegd: “Het is niet tegen te houden. Bouw in verzet die komt waarschijnlijk met 500 trekkers dus maak je geen zorgen. We openen snelwegen als dat moet”. Uitlatingen zijn door verdachte gedaan nadat demonstratie was verboden door plaatsvervangend voorzitter van Veiligheidsregio, terwijl daartoe strekkend besluit was gebaseerd op (naast risico’s voor gezondheid van bezoekers) wanordelijkheden tijdens eerdere demonstratie en informatie over aansluiten van andere groepen. Naar ’s hofs oordeel heeft verdachte, in deze specifieke toenmalige context, met zijn uitlatingen “dusdanig laakbaar gedrag (...) vertoond” dat tegen het doen van die uitlatingen strafrechtelijk optreden geboden was en dat daaruit voortvloeiende beperking in uitoefening van recht op vrijheid van meningsuiting en recht op vrijheid van vergadering dus ook met het oog op voorkomen van wanordelijkheden gerechtvaardigd en noodzakelijk was. Hierin ligt mede als ’s hofs oordeel besloten dat omstandigheid dat verdachte in zijn uitlatingen ook spreekt van “in liefde en geduld, natuurlijk non violent en non cooperation” niet eraan afdoet dat die uitlatingen als geheel beschouwd niet kunnen worden opgevat als oproepen tot vreedzaam protest. Hof heeft vervolgens geoordeeld dat, nu het gaat om opruiing tot deelneming aan verboden demonstratie waarbij ernstig ermee rekening moest worden gehouden dat demonstratie waartoe werd opgeroepen gepaard zou gaan zowel met gevaar voor gezondheid als met wanordelijkheden, strafrechtelijk optreden als geheel, waaronder ook bestraffing, niet zo ingrijpend is dat daarvan “chilling effect” uitgaat op personen die, als organisator of als deelnemer, gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering. Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat voor 2 bewezenverklaarde gevallen van opruiing wordt volstaan met oplegging van taakstraf van relatief beperkte duur. Ook heeft hof er in dat verband acht op geslagen dat door verdachte ondergane voorlopige hechtenis is bevolen tegen achtergrond van meeromvattende verdenking en relatief beperkt is gebleven. Uit overwegingen over straftoemeting volgt verder dat hof acht heeft geslagen op concrete gevolgen voor verdachte van strafrechtelijke vervolging. ‘s Hofs oordelen, die er in onderlinge samenhang toe strekken dat veroordeling voor opruiing met daarbij oplegging van taakstraf van 60 uren niet onverenigbaar is met art. 10 en 11 EVRM, geven in het licht van wat is vooropgesteld niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en zijn toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat verdachte (zonder nadere concretisering) heeft gesteld dat hij na uitspraak van voorzieningenrechter, waarin werd geoordeeld dat verbod op demonstratie van kracht bleef, nog oproep heeft gedaan om niet naar Den Haag te komen. Het gaat daarbij immers om omstandigheid die zich heeft voorgedaan nadat verdachte de in bewezenverklaring vermelde uitlatingen heeft gedaan, waarmee op dat moment opruiing had plaatsgevonden, terwijl ook niet is gesteld of is gebleken dat met genoemde oproep geen gevolg meer zou (kunnen) worden gegeven aan eerdere uitlatingen waarin verdachte opriep tot deelname aan verboden demonstratie. Volgt verwerping. CAG: anders.
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. voorhanden hebben van vals identiteitsbewijs, art. 231.2 Sr. Aanwezigheidsrecht. Verstekverlening in hoger beroep na betekening van dagvaarding op BRP-adres van verdachte (opvanglocatie voor vluchtelingen uit Oekraïne) aan huisgenoot a.b.i. art. 36e.1.b.1 jo. 36e.2.a Sv. Was hof gehouden behandeling van zaak aan te houden, nu dagvaarding in h.b. niet aan verdachte in persoon is uitgereikt en ondubbelzinnig had moeten worden vastgesteld dat verdachte daadwerkelijk weet heeft gehad van tz in h.b.? Opvatting dat rechter niet tot oordeel kan komen dat verdachte afstand heeft gedaan van aanwezigheidsrecht, in geval dat verdachte niet ttz. verschijnt en ook geen gemachtigde raadsman aanwezig is, terwijl betekening heeft plaatsgevonden door uitreiking aan degene die zich op betreffend adres bevindt en die zich bereid verklaart om stuk onverwijld aan geadresseerde te doen toekomen, is in het algemeen onjuist. Zoals in HR:2022:1469 is overwogen, volgt uit art. 8 en 9 Richtlijn (EU) 2016/343 niet dat verdachte daadwerkelijk weet moet hebben gehad van tz. van zaak in h.b. Het gaat erom dat verdachte daadwerkelijk in kennis is gesteld van die tz., dat wil zeggen: dat manier waarop informatie over tijdstip en plaats van tz. wordt verstrekt, het voor verdachte mogelijk maakt kennis te krijgen van die tz. Ook uit rechtspraak van EHRM volgt niet dat art. 6 EVRM een specifieke manier voorschrijft waarop verdachte in kennis wordt gesteld van tz. Die rechtspraak houdt ook niet in dat verdachte daadwerkelijk weet moet hebben gehad van tz. Bij beoordeling of manier van kennisgeving (mede in het licht van verplichtingen die voortvloeien uit Unierecht en EVRM) voldoende waarborgen biedt dat verdachte daadwerkelijk in kennis is gesteld van tz., komt betekenis toe aan zorgvuldigheid die overheidsinstanties in acht hebben genomen bij doen van kennisgeving, maar ook aan zorgvuldigheid die verdachte heeft betracht om aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen (vgl. HR:2024:842). Waar het gaat om inspanningen die van overheid mogen worden verlangd om verdachte die over BRP-adres beschikt, op de hoogte te stellen van datum van tz., volstaat (behoudens bijzondere omstandigheden) betekening aan BRP-adres, ook als verdachte niet zelf dagvaarding of oproeping in ontvangst neemt. Enkel gegeven dat BRP-adres een locatie betreft waar ook veel andere mensen (kunnen) verblijven, brengt niet met zich dat van zo’n bijzondere omstandigheid sprake is. Rechtspraak van HvJ EU en EHRM geeft (mede gelet op wat in CAG over (reikwijdte van) deze rechtspraak wordt opgemerkt) geen aanleiding tot andere opvatting (vgl. HR:2022:1469). Gelet op voorgaande heeft hof zonder schending van aanwezigheidsrecht kunnen beslissen om zaak buiten aanwezigheid van verdachte te behandelen. Hierbij is van belang dat namens verdachte h.b. is ingesteld, zodat verdachte zich ook via zijn raadsman op de hoogte had kunnen laten houden van plaats en tijdstip van tz. Ook is van belang dat verdachte o.g.v. art. 36g.1 Sv mogelijkheid had afschriftarrest (anders dan BRP-adres en adres van raadsman) op te geven, om zo ontvangst van informatie over plaats en tijdstip van tz. te waarborgen. Van stellen van prejudiciële vragen aan HvJ EU kan worden afgezien, omdat (gelet op wat hiervoor is overwogen) in schriftuur genoemde vragen kunnen worden beantwoord aan de hand van rechtspraak van HvJ EU of redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over manier waarop deze vragen over betrokken Unierechtelijke rechtsregel moet worden opgelost. Volgt verwerping.
Medeplegen poging tot diefstal met (bedreiging met) geweld van horloge, art. 312.2.2 Sr. Vordering benadeelde partij t.z.v. immateriële schade, art. 6:106.b BW. Hoe moeten algemene regels over stellen en betwisten van feiten worden toegepast in elk van de in HR:2019:793 weergegeven 3 categorieën van gevallen waarin rechter moet oordelen over vordering tot vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in persoon ‘op andere wijze’? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:793 m.b.t. immateriële schadevergoeding wegens aantasting in persoon ‘op andere wijze’. Uitgangspunt is dat slechts aanspraak bestaat op vergoeding van immateriële schade v.zv. wet bepaalt dat die schade voor vergoeding in aanmerking komt. Deze wettelijke beperking van recht op schadevergoeding brengt mee dat als rechter vergoeding van immateriële schade toekent, grondslag daarvoor aandacht verdient. Rechtsoverweging 2.4.5 van HR:2019:793 heeft betrekking op beoordeling van vordering b.p. tot vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in persoon ‘op andere wijze’ a.b.i. art. 6:106.b BW. Het gaat dus om immateriële schade die niet voortvloeit uit lichamelijk letsel of aantasting van eer of goede naam van benadeelde. HR geeft uiteenzetting t.a.v. regels over stellen en betwisten m.b.t. 3 categorieën van gevallen waarin aantasting in persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen: er is sprake van geestelijk letsel, bestaan van geestelijk letsel kan niet naar objectieve maatstaven worden aangenomen en (in uitzonderlijke gevallen) zonder dat in rechte is komen vast te staan welke concrete gevolgen de benadeelde heeft ondervonden van normschending. Hof heeft vordering tot vergoeding van immateriële schade van b.p. als gevolg van bewezenverklaard medeplegen van poging tot diefstal met (bedreiging met) geweld toegewezen tot € 2.000, vermeerderd met wettelijke rente. Dat oordeel is ontoereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat deze vordering namens verdachte gemotiveerd is betwist. Daarbij is van belang dat uit ’s hofs overwegingen niet kan worden afgeleid op welke in art. 6:106 BW vermelde grond en op welke door hof vastgestelde omstandigheden het hof de toewijzing van vordering b.p. heeft gebaseerd. Dat brengt mee dat ook oplegging van de in art. 36f Sr voorziene maatregel niet in stand kan blijven (vgl. HR:2019:901). Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. vordering b.p. t.z.v. immateriële schade en oplegging van schadevergoedingsmaatregel.
Deze index komt uit de open data van de Rechtspraak (uitspraken.rechtspraak.nl). Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd, met een link naar de volledige uitspraak bij de bron. Rechterspagina's zijn een registratie van publicaties, geen beoordeling. Klopt er iets niet?
