ECLI:NL:RVS:2026:5663
Raad van State · 23-09-2026 · zaaknummer 202503895/1/A2
Inhoudsindicatie
Bij afzonderlijke besluiten van 3 maart 2022 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellant] voor de toeslagjaren 2007, 2008, 2010 en 2011 een compensatie van in totaal € 108.352,00 toegekend en geweigerd aan haar voor de toeslagjaren 2015 tot en met 2018 een compensatie toe te kennen. De Dienst Toeslagen heeft aan de besluiten van 3 maart 2022 ten grondslag gelegd dat bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag voor de toeslagjaren 2007, 2008, 2010, 2011 is gebleken van onbillijkheden van overwegende aard als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wht. Voor de toeslagjaren 2015 tot en met 2018 is dat volgens de Dienst Toeslagen niet gebleken en is evenmin gebleken van institutionele vooringenomenheid als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht. Wel heeft de Dienst Toeslagen in het besluit van 18 april 2024 uit coulance aan [appellant] een vergoeding toegekend voor de verrekende kinderopvangtoeslag over de jaren 2015 en 2016 en voor de proceskosten in verband met de behandeling van het bezwaar.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
