ECLI:NL:RBGEL:2025:7273
Rechtbank Gelderland · 26-08-2025 · zaaknummer AWB - 23 _ 5752
Inhoudsindicatie
Belanghebbende heeft in 2016 en 2017 respectievelijk € 151.920 en € 1.868.988 ontvangen. In geschil is of deze betalingen moeten worden aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Belanghebbende stelt dat aan hem in 2002 en 2010 aandelen zijn toegekend. Er is daarom sprake van een recht op levering van aandelen, subsidiair optierechten. De toekenning daarvan hangt samen met zijn dienstbetrekking in het Verenigd Koninkrijk. De afwikkeling daarvan levert dus geen heffingsmoment op voor de inkomstenbelasting in 2016 of 2017 in Nederland. De beroepsgrond faalt, omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij rechten op levering van aandelen dan wel optierechten heeft verkregen en dat het heffingsmoment daarom in het verleden ligt. Hierbij acht de rechtbank relevant dat de gemaakte afspraken onduidelijk zijn en dat hierover veel discussie is geweest tussen belanghebbende en zijn werkgever. Daarnaast zou het ook gaan op een recht op aandelen (de zogeheten B shares) die niet hebben bestaan. Tevens is terecht geen rekening gehouden met enige aftrek op grond van de 30%-regeling voor extraterritoriale kosten. Gesteld noch gebleken is dat de werkgever van belanghebbende op de betalingen in 2016 en 2017 heeft aangewezen als een gerichte vrijstelling als bedoeld in voornoemd artikel en ook niet als zodanig (op individueel administratief niveau) heeft verwerkt in haar loonadministratie.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
