ECLI:NL:RBDHA:2026:25349
Rechtbank Den Haag · 31-08-2026 · zaaknummer NL24.17834
Inhoudsindicatie
Artikel 18 en 19, Terugtrekkingsakkoord; artikel 7, eerste lid, Verblijfsrichtlijn Verweerder heeft een melding van de gemeente ontvangen dat eiser, samen met zijn echtgenote, met ingang van 26 juli 2022 een bijstandsuitkering naar de gehuwdennorm op grond van de Participatiewet ontvangt. Naar aanleiding van deze melding heeft verweerder nader onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van eisers verblijf. Bij het primaire besluit heeft verweerder vastgesteld dat eiser nooit rechtmatig verblijf op grond van artikelen 18 en 19 van het Terugtrekkingsakkoord heeft gehad en meegedeeld dat het aan eiser afgegeven verblijfsdocument wordt ingenomen. In het bestreden besluit heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd. Ter zitting heeft verweerder, desgevraagd, toegelicht dat eiser in de periode van 15 oktober 2020 (de datum van zijn binnenkomst in Nederland) tot en met 15 januari 2021 voldeed aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn. Dit betekent dat eiser tot en met 15 januari 2021 rechtmatig verblijf had op grond van het Terugtrekkingsakkoord. De vaststelling in het bestreden besluit dat eiser nooit rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van het Terugtrekkingsakkoord is volgens de rechtbank in zoverre dan ook niet juist. De rechtbank volgt verweerder echter wel in zijn standpunt dat eiser na 15 januari 2021 niet voldeed aan de voorwaarden van (voortgezet) rechtmatig verblijf overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn. Dit betekent dat eiser zijn rechtmatig verblijf overeenkomstig het Unierecht na 15 januari 2021 niet heeft voortgezet en dat hij daarom vanaf dat moment geen rechtmatig verblijf meer had op grond van het Terugtrekkingsakkoord. Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder zich niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het algemeen belang bij verwijdering van eiser uit Nederland zwaarder weegt dan het belang van eiser bij het voortzetten van zijn verblijf in Nederland. Ook heeft verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM niet ten onrechte in het nadeel van eiser en zijn gezin laten uitvallen. Gezien het voorgaande vernietigt de rechtbank het bestreden besluit voor zover verweerders vaststelling daarin dat eiser geen rechtmatig verblijf op grond van het Terugtrekkingsakkoord heeft gehad ziet op de periode tot en met 15 januari 2021. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het bezwaar in zoverre gegrond te verklaren, het primaire besluit in zoverre te herroepen en vast te stellen dat eiser tot en met 15 januari 2021 rechtmatig verblijf op grond van het Terugtrekkingsakkoord heeft gehad. De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde deel van het bestreden besluit. Voor het overige laat de rechtbank het bestreden besluit in stand.
Rechters
Advocaten
- A. Dogan
- mr. G.H.P. Buren
- mr. N. Peters
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
