ECLI:NL:HR:2025:1701
Hoge Raad · 18-11-2025 · zaaknummer 24/02211
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Jeugdzaak. Ontucht met 15-jarig meisje door 17-jarige verdachte, art. 245 (oud) Sr. Strafmotivering (taakstraf, bestaande uit werkstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie) en taakstrafverbod, art. 77ma Sr. Kon hof oordelen dat toepassing van art. 77ma Sr strijd oplevert met art. 37.b, 40.1 en 40.4 IVRK? O.g.v. art. 77ma.1.a (oud) Sr geldt als hoofdregel dat taakstraf niet wordt opgelegd in geval van veroordeling voor misdrijf waarop naar wettelijke omschrijving gevangenisstraf van 6 jaren of meer is gesteld en dat ernstige inbreuk op lichamelijke integriteit van slachtoffer ten gevolge heeft gehad. Art. 77ma.2 Sr staat echter oplegging van taakstraf toe als naast taakstraf ook jeugddetentie, maatregel betreffende gedrag of maatregel van plaatsing in inrichting voor jeugdigen wordt opgelegd. Aan deze eis is, mede gelet op wetsgeschiedenis van art. 77ma Sr, ook voldaan als jeugddetentie dan wel maatregel van plaatsing in inrichting voor jeugdigen overeenkomstig art. 77x Sr voorwaardelijk wordt opgelegd. Art. 77ma.2 Sr staat er dus niet aan in weg dat rechter, door te kiezen voor combinatie van taakstraf met geheel voorwaardelijke jeugddetentie, tot strafoplegging komt die op zichzelf geen vrijheidsbeneming met zich brengt. Van die vrijheidsbeneming zal pas sprake kunnen zijn als veroordeelde aan deze voorwaardelijke jeugddetentie verbonden voorwaarde(n) niet naleeft. Daarbij zal niet-naleving van voorwaarde(n) alleen dan kunnen leiden tot vrijheidsbeneming als rechter daar o.g.v. art. 6:6:21 Sv (op vordering van OM) toe beslist. Bij beslissing op tul vordering kan rechter, gelet ook op de in art. 6:6:21.2 Sv genoemde mogelijkheid om i.p.v. tul van vrijheidsstraf te kiezen voor tul van taakstraf, maatwerk bieden. Dit mede in licht van het in art. 37.b IVRK geformuleerde uitgangspunt dat vrijheidsbeneming alleen wordt gehanteerd als uiterste maatregel en voor kortst mogelijke passende duur. Gelet hierop verzetten art. 37.b, 40.1 en 40.4 IVRK zich niet tegen toepassing van art. 77ma.1a (oud) en 77ma.2 Sr bij strafoplegging. In ’s hofs overwegingen ligt als zijn oordeel besloten dat toepassing van art. 77ma Sr in dit geval onverenigbaar is met art. 37.b, 40.1 en 40.4 IVRK. Dat oordeel getuigt van onjuiste rechtsopvatting. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. strafoplegging.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
