Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handenPlace4Law

ECLI:NL:GHARL:2026:2646

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 28-04-2026 · zaaknummer 200.355.861

Civiel rechtGepubliceerd 29-04-2026

Inhoudsindicatie

Artikelen 3:231 en 260 BW. Strekt een ‘bankhypotheek’ ook tot zekerheid voor een later aan de hypotheekhouder overgedragen vordering en welke maatstaf moet worden aangelegd bij de uitleg van de betrokken bepaling in de hypotheekakte (Haviltex of een objectieve maatstaf)? Het gaat in deze procedure om een vordering tot doorhaling van een hypotheek, omdat volgens de hypotheekgever de hypotheekhouder geen vordering meer op hem heeft en er ook geen vordering meer kan ontstaan waarvoor de hypotheek tot zekerheid strekt. De hypotheekhouder voert aan dat de vorderingen waarvoor de hypotheek is verstrekt in de akte ruim zijn geformuleerd (“uit welken anderen hoofde dan ook”) en dat een daarna aan de hypotheekhouder overgedragen vordering daar ook onder valt. Ondanks de ruime bewoordingen van de betreffende clausule in de hypotheekakte brengt een redelijke uitleg, ook als een objectieve uitlegmaatstaf wordt gehanteerd, met zich dat het hypotheekrecht in beginsel strekt tot zekerheid van vorderingen die voortvloeien uit een relatie die de hypotheekhouder met de hypotheekgever onderhoudt. Vorderingen die voortvloeien uit of verband houden met rechtsverhoudingen tussen de hypotheekgever en een derde partij (niet zijnde de hypotheekhouder) vallen in dit geval in beginsel dus niet onder de dekking van de hypotheek. Een dergelijke partijbedoeling ligt, zeker gezien de verstrekkende gevolgen, niet voor de hand en valt ook niet af te leiden uit de in de hypotheekakte gebezigde bewoordingen. De tekst in de hypotheekakte biedt geen enkele aanwijzing dat de hypotheekgever ook dergelijke vorderingen onder het bereik van de hypotheek heeft willen brengen. Evenmin zijn er aanwijzingen dat de hypotheekhouder op het moment van de hypotheekverstrekking van een dergelijke verstrekkende reikwijdte is uitgegaan of mocht uitgaan. Niet is gesteld of anderszins gebleken dat dit op het moment van het vestigen van de hypotheek tussen partijen aan de orde is geweest. Sterker nog, tussen partijen staat vast dat de hypotheek is gevestigd met het oogmerk dat de hypotheekhouder zekerheid zou genieten voor zijn vorderingen op de hypotheekgever uit hoofde van verricht loonwerk. Naar het oordeel van het hof kan de in dit geval gevestigde hypotheek dan ook niet strekken tot zekerheid van een (vermeende) vordering die de hypotheekhouder na vestiging van die hypotheek van een derde partij heeft overgenomen en die niet voortvloeit uit een op het moment van vestigen van de hypotheek reeds bestaande of nadien ontstane rechtsverhouding tussen de hypotheekhouder en de hypotheekgever.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.