ECLI:NL:CBB:2026:324
College van Beroep voor het bedrijfsleven · 14-07-2026 · zaaknummer 23/1898
Inhoudsindicatie
Hoger beroep. De minister heeft aan het slachthuis een boete opgelegd van € 2.500,- omdat het slachthuis er niet voor heeft gezorgd dat ˗ zolang de postmortemkeuring niet is voltooid ˗ de delen van een geslacht dier dat aan die keuring wordt onderworpen, niet in aanraking komen met een ander karkas. De gestelde omstandigheid dat KDS-medewerkers niet op de juiste plek zouden hebben gestaan, doet niet af aan de verantwoordelijkheid van het slachthuis om in te grijpen wanneer karkassen elkaar voor de keurplek (dreigden) te raken. Geen sprake van verminderde verwijtbaarheid of het ontbreken van verwijtbaarheid. Matiging vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Hoger beroep met betrekking tot een andere boete op de zitting ingetrokken, nadat de minister met een nieuwe beslissing op bezwaar dat boetebesluit had herroepen. Ook schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn met betrekking tot het herroepen boetebesluit.
Advocaten
- mr. C.A. van Kooten-de Jong
- mr. E.M.M. Geerligs
- mr. N.M.L. Habich
Gemachtigden en juristen in deze zaak
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
